Tergend sneu

||| Ik herinner me de tijd nog wel dat ik zinnen nooit op deze manier begon. Helaas ben ook ik onderhevig aan moderne vormen van schrijven en een potentieel verschrikkelijk mens zijn. Mensen vragen wel eens of ik een verhaaltje over ze wil schrijven, maar dan denk ik opgelucht: gelukkig haat ik mezelf niet. Dan nu een verhaaltje over iemand. Met zelfhaat moet je vroeg beginnen, anders heb je er later niets meer aan.

 Niet zo lang geleden – tenminste, alles is relatief dus hou maar op – liep onze held over ‘t besneeuwde kasseienpad naar zijn loft. Hij had na vijf jaar eindelijk alle banden doorbroken met zijn ex-vriendin, die volgens hem een krankzinnige nazi-hoer uit de donkere vuren van de hel was. Gelukkig zat zij in de rehabilitatiekliniek, en was hij net afgekickt van een hardnekkige chocolademousse-verslaving. Hij woonde in ‘n stad waar de mensen soms op klaarlichte dag elkaars schedels insloegen met stenen, deegrollers en bevroren turfballen, maar dat was normaal toentertijd. Het was immers Friesland, waar het intellect als het goed weer is staat op standje Mavo (overigens niet te verwarren met de sekspositie waar men tevergeefs probeert hogerop te klimmen).

Ten oosten van zijn loft werd de stad omarmd door het sparrenbos en de grote glinsterende pieken van de IJskappen, de bergketens die als een witte kroon boven de takken staken. De sneeuw kwam nooit verder dan die priemende toppen. Soms blafte er een hond maar die werd dan al gauw doodgeschoten, geheel volgens de traditie van helemaal niemand. In die tijd waren er nog bergketens in Friesland, maar die hebben ze weggehaald omdat ze te hoog gegrepen waren. 

 Onze held bereidde zich in zijn hoofd voor op een pittoresk bestaan als loser. Hij kwam net terug van een naaipartij met een trut genaamd Josefien, maar bij daglicht zag ze er uit als een mokkel dat nauwelijks boven de grens van geestelijk gehandicapt lag. Soms kwijlde ze, loensend, en brabbelde ze ‘papa, papa waar is papa’ en dat vond hij zeer ongemakkelijk tijdens het klaarkomen op haar gezicht. Hij heeft haar daarna nog een paar keer gedaan maar het werd al snel raar. 

 Hij opende zijn laptop met de kracht van duizend zonnen. Op internet las hij een bericht over de dood van Robin Williams, en dat er een kalf was ontsnapt uit de weide van boer Joris. De volgende uren bracht hij met wijn onder de douche door, terwijl hij zich snikkend zalfde met chocolade-mousse. Hij was zeer gesteld op het kalf, dat Miepje heette. Hij had het graag op willen dienen tijdens het lentebanket, samen met de mousse waar hij nu godverdomme niks aan had. De deurbel ging. Wie was dat? Onze held stond op met de kracht van duizend zonnen. Hij keek door het spionnetje in de deur. ‘Fuck.’ 

‘Ik kan je wel horen. Ben je weer aan de chocolade-mousse?’

‘Wat doe je bij mijn appartement? Hoor jij niet in de kliniek te zijn?’

‘Dit is een loft, geen appartement. Rehab is voor quitters lieverd, dus ik ben terug! Laat me nou binnen, m’n schaamlippen verschrompelen in de kou hier.’

 Hij liet haar binnen, want hij was een idioot. Vrijwel meteen brak ze een bevroren turfbal op z’n voorhoofd. Waar blijven mensen die vandaan halen? vroeg hij zich af, terwijl hij zich bloedend beschermde tegen haar turf-georiënteerde kung fu. Stukken gedroogd veen explodeerden tegen het raam, en het hoofd van Robin Williams op de laptop. Never forget. Een skelet van uit elkaar getrokken turf verspreidde zich over de vloer, en vatte vlam. Al gauw stond zijn loft in brand.

Z’n ex had de kandelaar gepakt en was hem woedend aan het afranselen terwijl hij haar keel probeerde dicht te knijpen, maar hij was zo’n slapjanus dat hij zélf blauw aan liep. Shit, mijn spieren zijn verzuurd van de wurgseks van gister, dacht hij verwoed, terwijl zijn ex satanisch lachend zijn gezicht mutileerde. Had ik het toch bij standje Mavo moeten houden. Hij ramde haar opzij, en leegde uit spontane creativiteit een cd-rekje op haar gezicht. ‘Mijn Coldplay-cd’s!’ siste ze hees, terwijl haar ogen groot werden en haar hoofd trilde alsof ze bezeten was door een geest met Parkinson. Vervuld met razernij kletterde ze naar hem toe, als een wild paard dat door een basisschool rent zonder te weten in welk lokaal hij moet zijn. Hij pakte een deegroller, en brak haar nek. ‘Coldplay is nog nooit cultureel relevant geweest,’ mompelde hij, en stak een sigaret op met de vlammen die uit de turf sloegen. Buiten weerklonken sirenes, maar de politie vond hem nooit, want het was Friesland, en daar iedereen is dom.

 Zwak iriserende lichtwaaiers flikkerden boven de zwanenkam van de ijsgondel, waarin de met chocolademousse besmeurde man naar de kliniek peddelde. Op de achtergrond verzwakte de diepzwarte rook van zijn loft, waar zijn ex diende als turf. ‘Zie je wel,’ bromde hij minzaam. ‘De donkere vuren van de hel. Toch wel.’

Veelbelovend oninteressant

 |||  Stel je voor als je wil: een grijze, grijze zondagochtend. Miezerregen tikt triestig op het venster en niemand heeft er zin in vandaag. In de grijze, grijze stoel, waar normaal altijd je vader zat, zit nu jij. Je vader is al tien jaar dood. De televisie toont jaren negentig sitcoms en herhalingen van Blokken. Je geld is op, dus naar de winkel die al dicht is, heeft nog minder zin dan normaal. Je betrapt jezelf er op dat je jezelf existentialistische vragen stelt als: Wat ís normaal?’ Als dat nog niet alles is, hebben je vrienden de barbecue van vanavond ook nog ´s afgelast met half-teut gestamelde woorden als: ´Ja… Het regent. Nou, dát dus.’ Op de achtergrond klinkt ingehouden feestgedruis, en iemand die roept: ´Duurt lang!´.Niemand houdt van je.

  Je besluit dat de hele wereld tegen je is; je staat op het punt jezelf op te hangen aan hetzelfde touw waaraan je zo-even niets kon vastknopen. Maar wacht (Er is meer!). Je blik valt op een stoffig klein boekje, getiteld ‘veelbelovend oninteressant.’ Meteen stijgt het bloed naar je hoofd en, traditiegetrouw, richting snikkel of vagijn. Je hebt dus toch iets te doen vandaag: jezelf betasten onder het lezen van dit deprimerende epistel. Spijt is voor later. 

 Je begint ermee vol goede moed. De uren verglijden, zoals een verlaten kind zou doen van een bevroren glijbaan in de winter terwijl de wolven huilen (zo van woewoewoe). Je merkt dat je jezelf existentialistische vragen stelt als: ‘Wat zijn uren eigenlijk?’ Je vriendin belt je op rond het noen-uur, gillend over menstruatie-pijnen, crème spoeling en verwijten richting jou. Je baas stuurt een mail vol prangende vragen over je verzuim. Zelfs je vrienden proberen je nog te bereiken, iets over een barbecue met Poolse hoeren of zo? Jij zit echter met je hoofd geheel ergens anders.

  Dit is de nieuwe jij. Het fletse masker van de vorige jij is geleidelijk afgepeld door de grillige hand van het lot en ligt in roze schilfers op de grond waar je danst. Dit is de volmaakte jij. Als je voortaan naast coke-snatsende nozems in de rookdampruimte van het mooiste feest ter wereld het onvermijdelijke verdriet inademt, zeg jij: ‘Doe mij maar een goed boek.’ Vervolgens struin je naar huis alsof het helemaal geen kwaad kan.

 Dit boek wordt je nieuwe bijbel. Je oude bijbel is opgemaakt aan vochtige anusdoekjes en vloeipapier. Je citeert als een misselijke priester op koortsachtige wijze de hoofdstukken als je ‘s nachts ijlend wakker wordt en kijkt dan naast je om te zien of daar je vriendin ligt – maar daar ligt het boek weer. Je loopt die ochtend naar de bank om geld op te nemen, maar je rekening is stopgezet door een zekere Dhr. Boek. ‘Hij was vierkant en had letters, maar ook zijn eigen identiteitsbewijs,’ verontschuldigt de bankier zich als je furieus je knuist onder zijn neus drukt. Je marcheert berooid en ontgoocheld door doodlopende straten en vindt dan je huis, die een zeer overtuigende impressie geeft van volledig afgebrand zijn. 

Daar zit je even; huilend in de regen met de resten van jezelf. 

Je voelt de trilling van je GSM en leest het smsje: ‘Ik voed me met de tranen van je verdriet.’ Je traceert het bericht, en even later draaien de koplampen van je Toyota Prius over een gitzwart motel met neonletters in de onderbuik van de stad. Daar tref je het boek aan, naakt, in bed met je vriendin. Op haar beurt draagt zij ook geen kleding. Toeval?! Jij denkt van niet.

‘Jessica!’ roep je, wit wegtrekkend. ‘Waarom?!’ Je steekt je vuisten naar de hemel in een dramatische wanhoop. Er klinkt hoongelach in de verte. Misschien een saxofoon. Als je wakker wordt is alles voorbij en vind je jezelf terug in een lege kamer, omringd door allemaal aardige mensen in witte jassen. Je krijgt eten op vaste dagen. Op maandag is zuster Rosita er en zij is altijd lief. ‘Ja, schat,’ knikt ze begrijpend, terwijl ze oneindig pilletjes in je onwillige mond ramt. ‘Je roman is er met je vriendin vandoor, ik snap het. Komt allemaal in orde hoor.’ 


Ik ben Orsin Bjornson, onbekend van romans als De Man Die Langzaam Onzichtbaar Werd; Het Meisje Zonder Naam; Het Paard Dat Liever Een Oester Was; Vrouwen Met Kleine Borsten Hebben Ook Gevoel; Het Ballet Der Waanzin; Alcohol Vooraf & Drugs Als Dessert; Hoe Ik Van De Wereld Won; Wraak Der Verliezers;  en natuurlijk de cultklassieker Vochtige Nachten Met Grieteke De Vries. 

 Benadrukken dat deze romans niet bestaan en mijn naam een pseudoniem die praktisch twee keer hetzelfde betekent, is te wijten aan de gebrekkige fantasie van de lezer die z’n smerige hoerenmond moet houden. Deze roman in blogvorm is bedoeld voor zij die zoeken naar de onverschillige stem van een generatie, die oneindig de schouders ophaalt. Ik sta bekend om mijn eeuwig twinkelende depressie; incorrect gebruik van de puntkomma; slechte woordgrappen; en de tomeloze ambitie om in het geheel niets te presteren. Toch kan deze blog fungeren als Curriculum Vitae, want woorden zijn mijn enige wapens nog. Tot u spreekt een man die niets meer te verliezen heeft, en soms op straat naakt naar mensen schreeuwt, furieus aan z’n pielemuis sjorrend. Ik ben me d’r eentje.

Deze blog is een parabel voor de beeldenstorm in m’n hoofd. 

Ja, denk daar maar ‘s over na. In ander nieuws, na het wisselvallige succes van mijn Facebookpagina (hoe kun je deze zin lezen zonder schamperlachend in je bloedende vuist te bijten en krijsend jezelf in brand te steken?) vond ik het nodig op mijn herkauwde lauweren te creperen, te sip te zijn om nog te schrijven en vakantie te vieren in het ziekenhuis. Ik ben terug, en harder dan ooit. Mijn penis stelt nooit teleur, tenzij ik voldoende whisky lurk. 

Hoe dan ook: veel plezier er mee. Immers, nu ik toch je aandacht heb kun je net zo goed doorlezen. 

Unfaithfully yours,

O. B.