Doemparabel

Kijkt u wel eens radeloos uit ramen naar de horizon? Rookpluimen die uit de schouwen stomen, een kat die kirrend kruipt, haar ogen slechts glinsterende gemmen in de deemstering? Mensen die krioelen als donkerblauwe mestkevers op een eilandje compost in de sneeuw? Dat zinkende gevoel, dat je boodschappen moet doen, maar daarvoor je condo moet verlaten, en Mensen in de ogen zal moeten kijken? Je zult naakt zijn in hun priemende, wrede blik – en je gedachten zullen op een troosteloos rijtje voor hen tentoongesteld zijn, en ze zullen lachen met zoet venijn. Ze zullen je gedachten één voor één ontleden en er daarna woedend over klaarkomen.

Dat soort dagen. Liever was je een kleine spitsmuis in winterslaap, ingesneeuwd in een gezellig holletje onder de grond. Spitsmuizen hoeven niet elke dag te vechten tegen de bourgeoisie. Zij veinzen geen illusies over de middelmatigheid van het bestaan. Spitsmuizen piepen slechts, eten nootjes, zullen voor altijd ongezien blijven voor het donkere oog van de belastingdienst. Natuurlijk, het is onvolwassen zo te dromen over het leven van een spitsmuis als je in de spits staat naar richtingwijzers te kijken. ‘t Is niet dat ik het niet begrijp. Maar ik ben een romanticus. Dat wil zeggen dat ik in een irrationele fantasiewereld leef waarin dit allemaal geenszins bestaat, en ik de emotionele intelligentie heb van een in frituurvet gebraden gehaktbal. Ik zal niemand aanraden mij tegen te spreken. Ik doe het zelf al vaak genoeg, en als het even mee zit, win ik ook nog. Ja nee, was ik maar een spitsmuis. Die piepen godverdomme wel anders.

En ergens in het schaduwrijk van werken en slapen vinden we ons terug, op zoek naar de authentieke limonade ervaring. Een blik boterhamworst voor één euro vijftig. Levend naar een weekend dat we op kunnen drinken, en dan op de bodem van de fles zitten zoals die reclame tegen alcoholmisbruik bij kinderen. De tijd gaat steeds sneller. Laat ons dwalen door dauw van enkel-hoog gras, sneupend naar de laatste druppels weekeinde, terwijl boven ons de hemel breekt. En daar regent weer een nieuwe week, daalt op ons neer in dagen van vertraging. Mijn leven is plannen van aanpak schrijven in Kladblok, en er verder godverdomme helemaal niets mee doen. Mijn leven is machteloos toekijken hoe mijn wereld steeds kleiner wordt.

‘Het is zo makkelijk hè,’ zegt de spitsmuis in zijn bedstede van zand en puin, het hoofdje net zichtbaar uit z’n voordeurtje. ‘De slachtofferrol aannemen. Denk je dat wij het zo makkelijk hebben? Spitsmuizen worden met uitsterven bedreigd sinds 1963, zeikerd. Schrijf daar maar eens een epistel over dat niets oplevert. Ga ergens anders kwijnen in zelfmedelijden. ‘t Enige wat je doet is jezelf zielig vinden, en kritiek leveren op anderen. Je vindt jezelf zo slim. Geloof me, vriend, zelfs als je een spitsmuis was, was je waardeloos. Wij hoeven je niet.’

En dan sprint-ie weer in z’n holletje, alsof ie er nooit geweest was, nadat-ie nog even een spitsmuis-middelvingertje opsteekt. En ik zal het begrijpen. En ik zal het opschrijven in Kladblok. En ik zal verlamd zijn door angst. En ik zal me volgende week weer afvragen waar mijn leven naar toe gaat.