Catharsis

….. Hij leefde zijn leven alsof er enkel weekends waren; de vloer een bed van simpelweg stof. Gooide hij zijn dromen als bommen in de nacht, zoop hij ‘s morgens z’n naamloze zorgen om ‘t denken te dimmen. Geen rust voor de geest, gevangen in vlees. Hij stond jakkerend later en later op om zich eerder te kunnen neerleggen. Hij keek vreugdeloos toe hoe hij zichzelf per dag verdelgde, wetend dat ‘t niet veel beter wordt dan tergend lang bestaan. Er is weinig pijn die dieper snijdt dan missen wie je was. En die dag besloot hij dat er iets moest gebeuren. Iets groots. Iets definitiefs. En het zou vandaag zijn.

Hij trof zijn voorbereidingen diezelfde ochtend. Op 21 mei 2006 zou hij de brieven naar zijn oom sturen, z’n hond weggeven en de sneltrein nemen naar de Overbrug. Dit was een hangbrug die zich uitstrekte over diep, stil water, en deze priemde uit boven eindeloze arbeidershuizen. Daar zou hij z’n laatste beslissing maken. En wanneer de meeuwen zijn karkas los van de rotsen pikten, was hij vrij van zichzelf en de donkere wolk. Niemand, behalve misschien zijn ex-vrouw, of z’n dronkaard van een oom, of z’n rottweiler, zou zich afvragen of er iets veranderd was. Dit alles besloot hij op maandagochtend 9:05 op de w.c. Toen trok hij door.

Uiteraard roerde zich nog altijd de donkere wolk in zijn hart. Het wilde zich laten meesleuren door de woedende stormgolven van de zee, omdat de natuur al sinds zijn geboorte aan hem sjorde. Niets in zijn leven duidde op zin. Mos groeide op plekken waar hij lang niet was geweest. Het hielp niet dat hij wist voor een feit dat niemand aan hem dacht.
Hij wist alleen dat hij heel graag thuis wilde zijn, en zijn koptelefoon op wilde zetten, en zijn boek uit wilde lezen. Dat was belangrijk. Het ging over konijnen.

De trein kwam tot stilstand bij het Overbrugstation. Hij voelde zich op een aparte manier helder, alsof er een verduisteringsscherm voor z’n ogen was gehaald. Geen uitstel meer nu. Er was geen reden om het niet te doen. Hij ging aan de rand van ijzer staan. De koele lucht drukte op z’n gezicht, hij proefde het zout, vulde z’n longen met lucht. Hij dacht aan z’n hond toen-ie sprong. Hij viel als een vogel naar beneden.

Kieperend, tollend, in die vijf-en-halve seconden, voelde hij opeens alles. Steeg boven zichzelf terwijl hij daalde. Zonlicht schrijnde op z’n fletse huid en alles was stil, en hij wist dat het allemaal een vergissing was. Hij werd zo zelfbewust dat hij de botten in z’n gezicht voelde, en de haarzakjes in huid. Hij huilde om gemiste gesprekken met vrienden en zijn houding tegenover zijn ouders, problemen die nu oneindig nietig leken. Hij huilde om dieren en de wereld en de schoonheid van het leven, terwijl het stipje dat zijn leven was met 80 mijl per uur ter water stortte. Tijdens deze vreselijke trip kwam hij tot de conclusie – wanneer we doodgaan is er helemaal niets.

Hij versplinterde zijn botten gelijk op de golven, die hem in kou omhelsden. Zijn inwendig falende organen geboden warm bloed op te hoesten waarin hij langzaam stikte. En terwijl zijn vlees daar gebroken, drijvend lag – dacht z’n geest nog aan de prachtigheid, kalven in de wei, de toekomst van de mensheid. En z’n boek over konijnen, dat hij nooit uitgelezen had.

Advertisements