Dystopie voor idioten

1.

Niemand kon tippen aan de manier waarop Zero in het geheel niets presteerde. ‘Ik hou niet van lopen,’ zuchtte hij meestal belegen, ‘Laat staan zitten.’ Wat hij daarmee bedoelde wist niemand, maar gelukkig boeide het ook niemand een reet..
Hij zat de hele dag op z’n aars voedsel te verwerken en te wachten op de avond, of ‘n lichte beroerte misschien. Door geloken ogen tuurde onze held naar de morgen. Zo’n morgen die nog even rook naar regen die ‘s nachts gevallen was.  Zo’n morgen waar één-nachts-meisjes uitgewoond huiswaarts wankelden, als gedesillusioneerde molratten op de tast naar hun hol, blootgesteld aan de elementen.  Zo’n morgen dat de schrijver van deze tekst uit luiheid drie keer dezelfde zin begon als illusie tot poëtisch schrijven.

Zero knikte minzaam naar de dwaalster, zijn knokkels wit van onverschilligheid. De televisie werd aangezet door de hand bestuurd door het brein. De laatste keer dat zijn zintuigen enigszins gestimuleerd werden was decaden terug, en dat was niet eens een woord. God vergeve hem.

“Één goedemorgen, dit is het Nihilistisch Journaal, gepresenteerd door… wat maakt het godverdomme eigenlijk uit, de wereld is naar de tering en voor mijn part zakken jullie allemaal in de stront.”

De presentator keek in de ijlte, de dode ogen gevuld met vergooide kansen. De studio zag er uit van derdewereld- aluminium en vochtig bordkarton, het soort tragisch sneue werk dat je van het nihilistisch journaal kon verwachten.

“In ander nieuws, de Nihilistische partij hebben het stadshuis ingenomen. Man en vrouw zijn overgeleverd aan een falanx verveelde herauten, mannen met reliëf-kaart-waardige fronsen, en rebellen die oneindig hun schouders ophalen bij het zien van hun loze victorie. Geheel volgens traditie is de leider van de partij niet komen opdagen bij zijn staatsgreep. Volgens een man die geen oogcontact met ons maakte is hij momenteel in Florida in het geheel niets aan het presteren. Dan nu naar het weer. Of weet je wat, láát maar. Tot ziens, eikels.”

De camera dwaalde af naar een willekeurige plek in de studio. Zoals onze held al enkele weken duidelijk werd, was het land in de ban van de nihilistische rebellie gekomen, en liep iedereen lethargisch over straat als vampiers zonder charisma. De burgemeester liep volgens de gemeente in het bos aan z’n penis te sjorren en dieren te storen met moeilijke vragen. Ambtenaren werden gespot op de snelweg, leuzen scanderend die nergens op sloegen, zoals ‘Stop met überhaupt iets doen’ en ‘Interesse is de eerste stap naar nog een stap, en stappen zijn voor losers die hun benen gebruiken’. Een algehele malaise van de geest nam het volk gevangen, en onze held zat reeds op de bank glutenvrije coke te snuiven en zijn scrotum te bepotelen, uiteraard geheel volgens traditie.

De telefoon ging met de kracht van duizend zonnen. Nam hij op? Ik denk het wel, ik was er niet bij. Omdat beide telefoniers niet per direct zin hadden om het gesprek te beginnen, was er een stilte. Vervolgens werden er woorden gezegd. Het kwam Zero ter ore dat hij uitgenodigd was voor Het Grote Feest Vanavond, door z’n vriend Pedro. Blijkbaar heb ik vrienden, dacht hij, kwijlend van verveling. Er was totaal geen reden om er heen te gaan, maar dat was omdat er geen reden was om wat dan ook te doen. Hij scrollde nog een paar minuten over de Facebook-pagina “Mensen Die Zichzelf Haten Be Like”, en begon met wodka inschenken. Ergens buiten blafte een hond, en die werd doodgeschoten.

[Wordt vervolgd, hoop ik]