In ‘t lauwwarme braaksel van jouw ogen

Ik zat in m’n loft te vieren wie ik vroeger was. Het ging gepaard met taart, als je rode wijn als taart rekent, en “vieren” betekent dat je naakt en hysterisch zingend voor de oven wacht op smegmatisch druppelende pizza. Ik had al een hoop bereikt. Zo had ik ‘n keer bijna een schrijfwedstrijd gewonnen, en de stief-tante van een uitgever zag me die bijna winnen door een verrekijker. Ontegenzeggenlijk zouden alle awards binnenkort in m’n drankkastje staan. Weldra zouden alle vrouwen mijn naam krijsen, zorgvuldig hun vagijn stimulerend met, bijvoorbeeld, een pastinaak. Je moet het maar doen.

Ik was gestopt met roken, dus stak ik een sigaret op. Het had emotioneel niets met roken te maken. Het was puur voor de nicotine, dus ik vond dat het kon. Lichtschakeringen ontstonden in de rook, en ik dacht, dat moet in een boek. Van dat soort woorden wordt de gegoede burgerij hartstikke drentel. Ik dacht aan mijn roman, Literatuur Is Voor Inferieure Zwakzinnigen, waar ik onlangs de eerste letters in had gehengst. ‘t Verhaalde over een zeventienjarig burgerlijk meisje van rijke komaf, Esmée genaamd. Haar hobby’s bestonden uit gezellige film-avondjes houden met de meiden, de voor-en-nadelen van hair conditioner uitpraten, papa vragen om geld, blokken voor tentamens en cricket spelen in de duinen met haar getinte vriendje die stiekem homo was.

Met zo’n achtergrondverhaal kun je mij eigenlijk al wegdragen. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar het boeit me ook geen reet hoe het met jullie zit. Esmée was een meisje dat er van de buitenkant af uit zag als een pril snoesje met pronte tetjes en zéér weinig inhoud, maar als je mijn romans kunt vertrouwen, zit er altijd een duistere edge achter. Ze had namelijk een donker verleden. Letterlijk, want ze was blind ter aarde gekomen. Nu kun je zeggen, zijn we allemaal niet blind ter aarde gekomen, Orsin Beornson? Nee, ik heb het opgezocht, dat zijn dus katten.

Esmée van der Meere kon op haar zesde al zonder blindegeleidenhond de straat op. Dat deed ze dan ook vaak, want haar ouders lagen vaak ladderzat elkaar vol te pompen met bitter mensenstremsel, je kent ‘t wel. Op die manier kwam ze in de Drentse heide bij een oud kerkje uit. De verf bladderde waarschijnlijk ergens van af, weet ik veel, moet dat allemaal beschreven worden? Het was een oud kerkje, dan zie je toch godverdomme wel een oud kerkje voor je? Ik word soms zo moe van jullie gezeik. Ik bedoel, wie is nou de auteur bekend van DERTIEN klassieke romans, twee novelles en een fucking theater-scenario? Ga dan lekker naast je huis in ‘n gat in de grond schijten ofzo, ontaarde proleet.

[DE SCHRIJVER NEEMT EEN ROOKPAUZE]

Esmée was objectievelijk gezien een elitaire kut-hoer, doch daar kom ik later op terug. Nooit teveel prijs geven in je verhaal, zeg ik altijd. Ik kan het weten, ik heb dertien klassieke romans geschreven. Esmée droeg een leuk rokje met een patroontje van visjes erop, helemaal classy en casual. Ze kwam bij een wensput aan, waar ze drie nachten verbleef. In die tijd waren er geen smartphones of gameboys, dus ze dronk vooral water en speelde met haar foef. Volgens mijn moeder kun je praktisch op water leven, soms wat yoghurt. Zo heeft ze me opgevoed, vind ik respectabel. Opeens kon Esmée weer zien blijkbaar. Er verscheen geen engel of heilige boodschapper aan haar, maar had zomaar gekund eigenlijk. l’ Esprit d’Escalier, noemen ze dat. Niet dat jullie dat kunnen bevatten, mijn hersendode rolmopsjes.

Met haar nieuwe zicht zag ze tevens de absolute intelligentie van iedereen. Plottwist, dit is de plottwist. Ik vind het soms bijna te spannend, en dat mag ook. Ik heb een keer geweend voordat ik de eerste letter schreef van een zin. De tranen maakten de sporen waar ik later de pen in de inkt mengde. Dat heet symboliek. Esmée groeide toen op, werd volwassen, en had zich al meerdere malen door haar vriendje Eduardo in haar verzilte poes laten dzjoeken. Hij moest altijd huilen tijdens en na, maar dat was volgens hem gewoon normaal, vertrouwde hij haar toe terwijl ze elkaars nagels lakten.

Esmée had het idee dat ze iets miste in haar leven. Ze zag de ultieme intelligentie van ieder mens, en haar cavia Bob bleek veel slimmer te zijn dan haar vriendje. Onbewust ging ze op zoek naar een man die haar op alle vlakken kon raken. Spiritueel, emotioneel, seksueel. De vraag bleef eeuwig in haar vagina stomen: hoe ziet zo iemand d’r uit? Wat beweegt hem? Heeft hij een esthetisch aanvaardbare pielemuis? En wie is in Gódsnaam de huidige koning van Spanje? Jaren gingen voorbij. Eduardo verliet haar uiteindelijk, op een roze paard wegrennend, in háár favoriete jeggings van de Zara. Het leek soms alsof God haar haatte.

Ik zat in mijn loft een sigaretje te roken. Ik was gematigd met drinken, dus dronk ik in plaats van twee glazen wijn drie extra grote kannen, omdat ik vind dat je soms jezelf wat moet gunnen. Dat toont karakter. Een beetje rebellie heeft nooit iemand kwaad gedaan. Kijk naar Joseph Stalin. Nee serieus, kijk naar hem, hij had vroeger best een goed kapsel. Maar hoe leg je dat uit aan de barbier? In ander nieuws, ik kwam in een rubriekje in de krant een berichtje tegen van onze ordinaire Esmée. Ze was op zoek naar een medium. Ten eerste dacht ik: waarom lees ik de krant anno 2016? Probeer ik indruk te maken op m’n vrienden? Ten tweede dacht ik: het kan niet anders of ik moet me voordoen als medium, inclusief kristallen bol, tarotkaarten en misschien wel een openhangende toga. Het was romantechnisch alleen maar de meest logische stap.

[DE SCHRIJVER NEEMT EEN DRANKPAUZE]

 

 

 

 

 

 

 

Advertisements