Panique-chic

“Ik kwam hier om te schreeuwen,” legde ik uit aan de man in de paniekkamer. “En jij?” “Xenofobie.” “Nou, en, ga je lekker de confrontatie aan, snoes?” Gewelddadig transpirerend zeeg de man ineen. Pussy. Ik vorderde vlug z’n portemonnee, waar 125 euro in zat. Serieus, waar geven xenofoben nou hun contant uit? Geld is verspild aan stilzitters. Paniekkamers zijn gratis. Als kleptomaan en pathologisch leugenaar kom je wel verder op planeet aarde. Mijn schreeuw werd echter nooit gehoord.

Ze had een gezicht dat je nooit in films zou zien. Een lichaam waarover nooit gezongen zou worden en ogen waarvan je uit verveling in verdronk. Ze was een polaroid in Memento. Filmpjes van mist. Wie was ze eigenlijk? Hoe zet je een relatie voort als ze niet te boetseer-kleien valt? Ze had het zandloper-figuur van een Dalí-klok. Mensgeworden taugé. De zieligste relatie in het Westen is de cultureel irrelevante, dacht ik, terwijl ze aan het praten was. We aten kreeft.

Ik had laatst zoveel slaaptekort dat ik iets omstootte en “oh dank je” zei toen ik het opraapte. Zo zie je maar dat je ook gewoon lief voor jezelf kan zijn als je het moeilijk hebt.

Het is ‘n concept voor een horrorfilm: spontane verandering in de werkelijkheid. Je hebt ze al gezien: psychologische thrillers die inspelen op realiteitsverlies – maar wat als er daadwerkelijk dingen veranderen die niemand anders ziet? Terwijl je in college zit verdwijnt het plafond, en staren enorme konijnen in het lokaal. Of je poogt je te concentreren op het nieuws, maar de nieuwslezers blazen zo nu en dan hysterisch op een kazoo. Stokbrood bestaat niet meer. Een wereld zo echt als de algemeen geaccepteerde en niemand anders die er in leeft behalve jij. Psychoses zijn voor pioniers.

Waarom lijkt alles opeens zo lang geleden? Ik heb te lang geleefd, gezeten, stil. Ik leef half achter schermen. Jaren aandacht verslaap ik, verspild aan kut-metaforen zoals deze. Ik ben moe geboren. De grootste dingen die ik per dag beleef is evalueren op wat ik gister deed en wat ik morgen tekort zal komen. Ik ben meer een brein in een vat dan een volledig mens – het minimum dat de maatschappij van je vraagt, hedendaags (als je maar taks betaalt). Ik wacht op zelf-rijdende auto’s en een losgekoppeld leven. Crash ik alsnog in de branding van staal. Als spookrijder ligt alles je tegen. Ik hoop dan maar dat m’n lijkenwagen op de goede baan gaat. Ik hoop dan maar dat anderen stilstaan bij mij, en dat m’n grafsteen niet wegrijdt. Niet alles rijmt.

Noem het ongemakkelijk, morbide. Ikzelf moet echter grinniken bij het idee aan twee school-shooters die hun massamoord op dezelfde dag gepland hebben. Tom wijst naar Anton, gesticulerend naar z’n outfit en semi-automatische wapen. “Nee… Jij ook?!” roepen ze dan uit in koor, beiden gedost in camouflagepakken, alsof ze op weg zijn naar paintball. De jongens besluiten te overleggen in de afgesloten gym-kleedkamer. “Dit is waar Cody me altijd pest,” verzucht Tom, jonglerend met kogels. “Ik ken het,” beaamt Anton. “Hij stak hier een waterslang in m’n anus.” Een Breakfast Club-achtig scenario ontvouwt zich, waar ze praten over jeugd, familie, Amerika, de wapenwet en post-ironische memes. Daarna doorklieven ze de karkassen van mede-leerlingen en zichzelf. Coming of Rage.  12 jaar en ouder.

“En toen?” vroeg E. “Ik had er een tijdje moeite mee te bevatten wat echt was,” morde ik. “Alles was aan flarden. Ik keek naar mezelf in de spiegel en zag een acteur, of iemand die ik misschien lang geleden was.” “Depersonalisatie kan erg beangstigend zijn…” begon E, verveeld likkend aan zijn elleboog. “Ja-ja. Niet alleen dát, maar ook solipsisme nam de overhand,” zei ik, afdwalend. “Ik was niet echt, maar jullie al helemáál niet. Het was of ik een masker droeg van m’n eigen gezicht. Me echt verbergen lukte niet.” “Toen kwamen de waandenkbeelden?” “Toen kwamen de waandenkbeelden.” E. blafte, kwispelde en krabde aan de deur. “Ik heb je godverdomme nét uitgelaten,” verzuchtte ik. Ik tuurde uit het venster en zag een enorme schildpad zich wreken op de buitenwijken. Wat een jaar.

“Ik kwam hier om te schreeuwen,” zeg ik tegen niemand in het bijzonder. O jee, o jee, weer ‘n week, spreek ik hees, turend naar de kalender uit oktober 1996. Ik word vier jaar oud morgen. Ik denk aan de toekomst: gezinnen die uiteendrijven, sommige schepen die sneller varen dan andere. Studie-opties die geleidelijk aan oplossen als zand in de storm. De constante vermoeidheid van jezelf met anderen vergelijken. In de deemstering nostalgisch je kinderfoto’s strelen (terwijl je vrienden opeens trouwen, ook wegvarend). De doem lonkt, maar ik heb m’n telefoon uit staan.

Ik schuif de pui open en ren naar buiten, waar alles nog nieuw is. De zon van 1996 schijnt op het gras en voor eeuwig ren ik achter mijn hond aan. Gezang klinkt uit de keuken. Morgen ben ik jarig, mama heeft al taart gehaald.

 

 

 

 

Advertisements

2 thoughts on “Panique-chic

  1. Zie deze tekst als gescheurde bladzijden uit oude column-stukken. De lezer schuift zelf de stukjes puzzel in elkaar, of waardeert het voor wat het is: poëtisch weinig. Ik ben kampioen in bijna m’n best doen. Het essentiële in de tekst is altijd de sfeer, niet inhoud. Spottende korte flarden. Aan het einde hoop ik iets geroerd te hebben terwijl de lezer niet eens op de hoogte is van wat er tussen de regels door gebeurde. Het ludieke is, je zal het nooit weten.

    X
    Orsin

    Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s