Fucked.txt

Dus dat was anaal,’ zuchtte het wormachtig wicht, kronkelend d’r kringspier strekkend. Een oranje zonnestraal viel op het reliëf van een anus. Dat is de stille belofte van lente, stelde ik. Mijn ogen prikten koortsig, droog, mijn maagzuur verslikte zich in zichzelf. Ik voelde me niet helemaal echt. Door de dansende spooksterretjes rook ik lakens aan omgewoelde adem. Oprispingen in boxsprings. Er waren zoveel vragen die ik kon stellen om de stilte wat te sussen, maar nee, Wurm had geen antwoord, alleen een anus. Die vertellen geen verhalen.
Je leven stroomt tweemaal uit je zegt men; eerst als je karkas de zoden onder glibbert en de tweede keer als je livestream over zelfheling voor ‘t laatst gedeeld is. Als iemand zonder Instagram-volgers zich opknoopt in een bos, is z’n nek daadwerkelijk geknapt? Alleen als je het vastlegt. Ikzelf drink gewoon een paar knuisten vol halve liters en voor je ‘t weet ben je de leider van je eigen halve waarheden. Nooit rust. Wurm’s rectum werkte bijkans als zonnewijzer. ‘t Was het noen uur – tijd voor ‘n ei. Zo deed Columbus ‘t ook.
Gezien er geen eieren waren schonk mezelf een fletse eierdop gegiste wijn in. Gun jezelf wat. Hoor je mij bitter zingen, afgezien van de hele godganse tijd? Wurm was een meisje waar ik m’n lul al een tijdje in zat te hijsen. Soms kwam daar een kwakje uit, trillend in meisjeszuur. Ons onherroepelijk noodlot en perpetuele rouw kwamen overeen, en als ze haar papa erg miste kwam ze het hardst. Wanneer ik m’n tipje in d’r sluier roerde daalde het neer als een gordijn van doemdruppels. Ik was een jongen die bestond als vet in frituur, en vaak sudderde er volk naast mij die tot de krokante consensus kwamen: verdelg uw gedachtegoed. Denken wens je niemand toe.
Ik kon niet stoppen met drinken. Niet nu. Niet met deze economie. Niet met deze wentelteef die met haar poreuze foef mijn nest zedigde. Als ik nuchter werd moest ik m’n gedachten achterna, en verdoving is macht – dus laat maar. Als het aan mij lag werd iedereen onvruchtbaar gemaakt bij geboorte. Ikzelf ben uitgeput geboren. Ik zette Death Grips zo luid dat ik m’n maagzuur smoorde. Porde speels met mijn eikel in haar oogkas. Ze murmureerde iets over haarspelden of crèmespoeling of waar de deernes ook maar over zaniken. “DE SLIJTERIJ GAAT SLUITEN!” snerpte ik in haar oorschelp. De zon ging onder en ze werd wakker.
Gevangen in een trui en gebroken witte sportsluipers jakkerde ze buiten, mascaravlekken vettig gesmeerd op d’r broze poppenhoofd, mopperend over zon, tampons en dood, ‘al die kanker-dagjesmensen moeten DOOD’. ‘Neem het stuur over als ik weg val’ morde ik, naar de Audi wankelend. ‘Je hebt toch geen auto,’ zei ze hees. Ik knikte verslagen. Wishful thinking. Zelfs in mijn dagdromen kan ik slechts in ‘t duister tasten naar een ontsporende Audi. Onderwijl begon de Immerleegte in te kicken, wat betekende dat ik snel beneveld moest worden of ik kon het leven niet meer relativeren met vlijmscherp sarcasme. Zo kan een kunstenaar niet werken.
In kwelzucht haatdragend, aan mezelf overgelaten – zo zat ik in elkaar. De wereld was een boosdoener, en ik tot dusver onverslagen. Zodra je denkt dat het leven optimaler kan hengst ‘t z’n fiere tamp ongelubriceerd in je konthol. Wurm zong vals en zwalkte schalks in dwangbuistrui en ik hoopte dat ik thuis was, maar ik was op de heenweg naar meer verdrongen heimwee. M’n ouders zouden op visite komen en ik was kotsmisselijk. Het kassawijf bij de drankzaak had d’r tiet er af laten snijden, leukemie-preventief zei ze – het maakte niet uit, ik zag toch al dubbel van apathie. Wij en de Esbjærg reisden we naar alweer ‘n stomme horizon. We kwamen aan bij mijn loft. Ik had zin om mensen kapot te snijden.
Ik had zo lang niet gegeten of geslapen dat m’n oksels roken naar ammoniak. M’n spierweefsel deed zich tegoed aan zichzelf. Zelfvernietiging is verslavend als steeds bewezen wordt dat beterschap een legende is. Ik werd gewenkt door fictief gescandeer van schaduwmensen en had een volledige hartstilstand, maar ik moest een jointje vervaardigen dus had geen tijd voor die nonsens. Sterven is voor plebs. Wurm trok onhandig haar kleding uit tot ze enkel een slipje aanhad, en ze begon met inschenken. M’n hele gezicht tintelde nu, als een strakgetrokken masker. We namen een shotje, en nog één, en nog één. Ik opende een halve liter. Ik voelde me zo slecht. Alles voelde zinloos als ik lang genoeg niet dronk en het hele huis rook naar zolder. De telefoon ging en ik nam op.
‘Knibbel knabbel knuistje, wie belt er naar mijn godverdomde huisje?’ krakeelde ik teut en aan de lijn klonk mijn moeders stem tien jaar ouder. Ik hing op. M’n handen trilden. Weet je nog toen drinken nog leuk was? Ik niet. Het was nooit leuk. Het maakte andere mensen verdraagbaar, maar het maakte mij normaal. Ik loop m’n leven lang op m’n tenen, daarom heb ik zulke goeie kuiten. ‘Wurm’, zei ik, ‘schenk me nog wat slechts in.’ ‘We gaan onszelf buitenspel zetten.’ Ze giechelde stompzinnig en brak de Esbjærg aan. Haar rozerode tepeltjes waren rustgevend in dit uur van doem. En ondertussen vulde mijn hoofd zich met gewaagde gedachten.
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s