Comfortably dumb

He is arrogant. Like all people with timid personalities, his arrogance is unlimited.
Anybody who speaks quietly and shrivels up in company is unbelievably arrogant.
He acts shy, but he’s not. He’s scared. He hates himself, and he loves himself, a very tense situation. It’s people like me who have to carry on and pretend to be modest. To me, it’s the most embarrassing thing in the world—a man who presents himself at his worst to get laughs, in order to free himself from his hang-ups. Everything he does on the screen is therapeutic. – Orson Welles, about Woody Allen

 

Ik ben zo dichtbij de vergissing. Ik rot met volle teugen doordeweeks en knap dan een beetje op; meteen zin om te drinken. En dan is alles weer weg. Hou ‘m op de rails, zegt m’n coach. Ik zal er aan denken, mompel ik als ik staar naar treinen waar ik mezelf mee kan versprokkelen. Waanzin. Zo denk ik niet meer. Nee, ik ben weer moe, het is winter, van letsel of paniekaanvallen komt weer helemaal niks zo. Doe mij maar slaap en voedsel en afwachten. Mijn zus is in verwachting. Ikzelf ben de onvolgroeide hagedis, langzaam dalend in ‘t aquarium der status quo. Je moet het maar opschrijven.

Axolotls hebben ook ambitie, en aan dit verhaal zit wellicht een staart. Maar die van mij groeit nooit meer aan.

Het ruikt naar bittergarnituur, buiten. Ik heb mezelf genoeg pijn aangedaan. Maar ik schrijf dit uit een opwelling. ‘t Is een slechte impressie van de werkelijkheid. Ik weet hoeveel potentie ik heb, maar dit is een wegwerpleven. Dit leven doe ik ‘t rustig aan. In al mijn andere vormen heb ik alles al bereikt, zie je. Gezien reïncarnatietherapie vergoed wordt door mijn verzekering, kan ik teren op het succes van al mijn andere kut-levens. En in alle levens zie ik mezelf op ‘t zelfde punt komen: zittend, schrijvend, met lichte maagklachten, en ergens wordt het altijd wel donker, het bier moet toch gedronken worden. Godverdomme.

Ik ben zo dichtbij de vergissing. Het komt door de moedwisselingen. Ik vervang vandaag mijn wijn door waanzin. De wereld is bol, de wereld is dáár; en ik neem een blokje om. Ergens achter de coulissen der gordijnen strijdt de horizon om mijn onverdeelde aandacht. Mijn ambitie? Heersen, verdelen, braken. Gedichten stelen van kleine kinderen. Vergelden van oude schulden. Geen euro’s in de wereld die van schuldeisers minder een ongewenste kanker autist maken. Ik ben zo dichtbij de waanzin. Afbreken, opbouwen, verschroeien, volledig. Langs de rails lopen, de kleine hagedis. Ik hoef niet veel meer te zijn, als ik maar op tijd ben.

Advertisements

Eigenlijk

 

ik ben m’n eigen ergste vijand
en
wens zelfs mij mezelf niet toe
ik, tegenstander, onverslagen
bodemloos al uitgeput

 

schaf mij aan voor vijandprijs

de rente daar mijn zaniktaks

waarvan accijns mijn hartenspijt en

sorry maar oneindigend

 

ontmanteld aan je stoep geleverd

over aan mijn kanker-zelf

kon ik maar met goudverf lijmen
wat ik in mezelf als scherven zie
stiekem steekt ‘t dat ik niet moet hechten
waar ik om moet gaan met gebroken zijn

Dwalen

Mijn nachtmerries zijn meer enerverend dan het echte leven. Uiteraard zijn ze een weerspiegeling hiervan. Mijn dromen zijn claustrofobisch en lang. Ik droom over verdwaald zijn in een stad die lijkt op verschillende steden die ik half herinner. Ik moet thuis komen en ben uitgeput. Ik loop, ik neem de bus, ik moet overstappen, ik neem de trein, ik zoek mijn fiets, ik moet geld pinnen voor een kaartje, en ik raak weer verdwaald. Ik kom nooit echt thuis. Laatst besloot m’n brein er nog een schepje bovenop te doen. Ik kom hier om te slapen godverdomme, dacht ik.

Ik kon teleporteren, zie je. Er waren speciale teleportatie-punten waar je in een ander bewustzijn kwam, een lucide droom ruimte. Het bestond uit lange gangen die op de loopbrug van een treinstation leken. Je kon er zweven, dingen creëren en aan je pik sjorren, het maakte allemaal niet uit. Na verloop van tijd kon ik geen terugkeerpunt meer vinden. Mensen om me heen hadden hetzelfde probleem. Ik merkte dat de gesprekken en mensen heel helder waren, en de omgeving levensecht en gedetailleerd. Dromen zijn niet echt, maar je maakt wel alles echt mee. Ik kon door ramen kijken naar het normale droomniveau, hetgeen bestond uit een oneindige oceaan.

We liepen maar door. De gangen liepen in een rondje. We dachten dingen te herkennen, maar het was schijn. Ik herkende vrienden van me. Al onze kleding was doordrenkt, nat. Waarom? Mensen in felle hesjes begonnen te verschijnen, en ze vielen de dwalers lastig. M’n neus en keel werden dichtgeknepen. Ik wil niet meer. Ik wil wakker worden. “Dat kan niet meer” zeiden de kwelgeesten in felle hesjes. “Jullie zijn erg onderkoeld geraakt, er was een vloedgolf. Jullie worden niet meer wakker.” Ik begon door te krijgen dat er iets ergs was gebeurd, ook al kon ik het me niet meer herinneren. Ik en de mensen om me heen waren verdronken. Nu waren we gedoemd om door deze gangen te dwalen, op zoek naar een uitweg.

Ik kan al mijn dromen herinneren. Ik droom iedere nacht hetzelfde, behalve deze. Ik was er van overtuigd dat ik in het purgatorium beland was. Herhalende of zeer sterke dromen betekenen iets. Daarom moet je altijd luisteren als iemand een droom aan je vertelt. Het is ongefilterde symboliek. Voor je ‘t weet vertelt iemand in droomtaal aan je over seksuele trauma’s of onvertelde geheimen. Toen ik negen was heb ik een kaart gemaakt van mijn droomwereld, gezien ik op steeds dezelfde plaatsen terecht kom. De overlappende werelden duiden op verschillende overlappende betekenissen. In m’n droom werkt de kaart niet meer, ik ben overgeleverd aan de oneindigheid. Ik hoop dat ik niet meer dood ga. Ik blijf liever gewoon verdwaald.

 

Laten

NUTS – I love nuts. When I get depressed in the holidays I crack nuts open with my head. The brain damage helps me forget the pain. – Anonymous 

Morgen is er weer een nacht om alles links te laten liggen. Alle wolken zijn zwanger van de hitte, en over dertig zomers is het tweeduizendtwintig. Of het weer dan bevalt zullen we nog maar zien. Post ironische stress maakt zich van mij meester, ook al gaat het leven soms vooruit. Mijn psycholoog besloot dat ik een vermijdende persoonlijkheidsstoornis heb. Ik heb haar ter plekke ontvolgd op Instagram. Wie zal nu je #balconyvibes foto’s bekijken, dikbenige stalknoert? Gefeliciteerd, je bent helemaal niemand meer. Ik beende vinnig huiswaarts. Ik keek niet om, waarom zou ik.

Plot twist: dit was een fijn staaltje klikaas trucage. Ik haal namelijk tegenwoordig voldoening uit banden opbouwen met mens en dier. Ja, het staat er toch echt. De Turken moet ik nog aan wennen, maar we komen d’r wel. Stiekem ben ik kanker liefdevol. Ik meet mezelf tegen een onmogelijke standaard omdat ik er van uit ga dat iedereen me ook per direct een schichtig kronkelwormpje vindt. Ons onderzoeksteam ging op pad en kwam er achter dat het negenentachtig procent “geen flikker boeit” wat ik doe, want “letterlijk wie is hij”. De andere procenten bestonden uit het onderzoeksteam zelf. Stomme Turken.

Zoals geschreven verberg ik me vaak achter een regengordijn aan ironie, ter bescherming tegen het feit dat alles me hartstikke aangrijpt. Ik hou de wereld niet meer bij. Alleen absurdisme is nog logisch, en alleen verliezers doen aan emoties – aldus de meest miserabele man op aarde. Een oneerlijke wereldvisie. Als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn het wel oneerlijke mensen en zeemeeuwen. Zeemeeuwen zijn stiekem kleine oneerlijke mensen met vleugels. Ik wil ze kortwieken.

Je voordoen als quasi-apathische leunjeugd maakt je de avant garde der posers. Als nihilist hoef je geen consistente leefregels te hebben. “Was ik 3, 4 jaar terug echt zo kut?” vroeg ik, hysterisch mensen vastklampend op straat en die keken dan echt zo van ja lekker gênant dit. Mijn leven draait om wat anderen van me denken. Waarom? Fuck jullie. Soms ben ik echter wel op mijn gemak en dan vind ik mezelf vervelend. In een moment van l’appel du vide moet ik mezelf weerhouden om hilarische dingen te plaatsen op de web zone waarvan ik later denk: het is tijd om te stoppen. Verdoemd zij mijn talent. Ik ben te goed geworden in mezelf verslaan via zelfsabotage. Hou me tegen of ik doe het zelf al voor je.

Wat in mij dan wel ‘n gezonde portie gramschap deed opborrelen was dat Spotify afspeellijsten heeft voor iedere emotie, behalve woede. Waarom wordt mij niet toegestaan om misnoegd te zijn? “Wat is dit, ‘n dystopische roman van Orson Welles die ik stiekem Orson Nietes gelezen heb? Wie denken jullie dat ik denk dat ik ben? Jij en welk leger?!” kraaide ik koperkelig naar de hemelen, gebalde vuisten opgestoken, vervuld van toorn en donder. Men keek mij aan, ik kwam tot bedaren. Het hoort allemaal  bij het groeiproces, fluisterde ik hees.

O morgen o zorgen o zomer o dood. Het mes zingt broos op het juk van het been. Ik kom maar niet tot wasdom. Ik ben een made in het vlees – ik gruw van het verschiet. Het is benauwend om mij te zijn, en in de toekomst is de adem op. Hoe lang duurt geduld? Ik breek nog eerder dan de regen. Laat mij hardop verschillig zijn. En laat mij niet meer denken. Laat mij over straat kunnen lopen zonder ogen te ontwijken, de angst verdrinken,. En laat mij in de spiegel kunnen kijken, niet gefrustreerd omdat ik iemand zie die ik niet oké vind. Want als ik in de spiegel kijk zie ik iemand die er niet hoort. Laat me wakker worden zonder uitgeput te zijn van zelfhaat. Laat me nachtmerries hebben met subtielere symboliek. Laat me mijn ouders kunnen bellen zonder dat het om geld gaat. Laat me niet bitter zingen om wat ik niet heb, of hoe anderen leven – gewoon oprotten. Morgen is er weer een nacht. Laten we het opnieuw proberen.

 

 

 

Fucked.txt

Dus dat was anaal,’ zuchtte het wormachtig wicht, kronkelend d’r kringspier strekkend. Een oranje zonnestraal viel op het reliëf van een anus. Dat is de stille belofte van lente, stelde ik. Mijn ogen prikten koortsig, droog, mijn maagzuur verslikte zich in zichzelf. Ik voelde me niet helemaal echt. Door de dansende spooksterretjes rook ik lakens aan omgewoelde adem. Oprispingen in boxsprings. Er waren zoveel vragen die ik kon stellen om de stilte wat te sussen, maar nee, Wurm had geen antwoord, alleen een anus. Die vertellen geen verhalen.
Je leven stroomt tweemaal uit je zegt men; eerst als je karkas de zoden onder glibbert en de tweede keer als je livestream over zelfheling voor ‘t laatst gedeeld is. Als iemand zonder Instagram-volgers zich opknoopt in een bos, is z’n nek daadwerkelijk geknapt? Alleen als je het vastlegt. Ikzelf drink gewoon een paar knuisten vol halve liters en voor je ‘t weet ben je de leider van je eigen halve waarheden. Nooit rust. Wurm’s rectum werkte bijkans als zonnewijzer. ‘t Was het noen uur – tijd voor ‘n ei. Zo deed Columbus ‘t ook.
Gezien er geen eieren waren schonk mezelf een fletse eierdop gegiste wijn in. Gun jezelf wat. Hoor je mij bitter zingen, afgezien van de hele godganse tijd? Wurm was een meisje waar ik m’n lul al een tijdje in zat te hijsen. Soms kwam daar een kwakje uit, trillend in meisjeszuur. Ons onherroepelijk noodlot en perpetuele rouw kwamen overeen, en als ze haar papa erg miste kwam ze het hardst. Wanneer ik m’n tipje in d’r sluier roerde daalde het neer als een gordijn van doemdruppels. Ik was een jongen die bestond als vet in frituur, en vaak sudderde er volk naast mij die tot de krokante consensus kwamen: verdelg uw gedachtegoed. Denken wens je niemand toe.
Ik kon niet stoppen met drinken. Niet nu. Niet met deze economie. Niet met deze wentelteef die met haar poreuze foef mijn nest zedigde. Als ik nuchter werd moest ik m’n gedachten achterna, en verdoving is macht – dus laat maar. Als het aan mij lag werd iedereen onvruchtbaar gemaakt bij geboorte. Ikzelf ben uitgeput geboren. Ik zette Death Grips zo luid dat ik m’n maagzuur smoorde. Porde speels met mijn eikel in haar oogkas. Ze murmureerde iets over haarspelden of crèmespoeling of waar de deernes ook maar over zaniken. “DE SLIJTERIJ GAAT SLUITEN!” snerpte ik in haar oorschelp. De zon ging onder en ze werd wakker.
Gevangen in een trui en gebroken witte sportsluipers jakkerde ze buiten, mascaravlekken vettig gesmeerd op d’r broze poppenhoofd, mopperend over zon, tampons en dood, ‘al die kanker-dagjesmensen moeten DOOD’. ‘Neem het stuur over als ik weg val’ morde ik, naar de Audi wankelend. ‘Je hebt toch geen auto,’ zei ze hees. Ik knikte verslagen. Wishful thinking. Zelfs in mijn dagdromen kan ik slechts in ‘t duister tasten naar een ontsporende Audi. Onderwijl begon de Immerleegte in te kicken, wat betekende dat ik snel beneveld moest worden of ik kon het leven niet meer relativeren met vlijmscherp sarcasme. Zo kan een kunstenaar niet werken.
In kwelzucht haatdragend, aan mezelf overgelaten – zo zat ik in elkaar. De wereld was een boosdoener, en ik tot dusver onverslagen. Zodra je denkt dat het leven optimaler kan hengst ‘t z’n fiere tamp ongelubriceerd in je konthol. Wurm zong vals en zwalkte schalks in dwangbuistrui en ik hoopte dat ik thuis was, maar ik was op de heenweg naar meer verdrongen heimwee. M’n ouders zouden op visite komen en ik was kotsmisselijk. Het kassawijf bij de drankzaak had d’r tiet er af laten snijden, leukemie-preventief zei ze – het maakte niet uit, ik zag toch al dubbel van apathie. Wij en de Esbjærg reisden we naar alweer ‘n stomme horizon. We kwamen aan bij mijn loft. Ik had zin om mensen kapot te snijden.
Ik had zo lang niet gegeten of geslapen dat m’n oksels roken naar ammoniak. M’n spierweefsel deed zich tegoed aan zichzelf. Zelfvernietiging is verslavend als steeds bewezen wordt dat beterschap een legende is. Ik werd gewenkt door fictief gescandeer van schaduwmensen en had een volledige hartstilstand, maar ik moest een jointje vervaardigen dus had geen tijd voor die nonsens. Sterven is voor plebs. Wurm trok onhandig haar kleding uit tot ze enkel een slipje aanhad, en ze begon met inschenken. M’n hele gezicht tintelde nu, als een strakgetrokken masker. We namen een shotje, en nog één, en nog één. Ik opende een halve liter. Ik voelde me zo slecht. Alles voelde zinloos als ik lang genoeg niet dronk en het hele huis rook naar zolder. De telefoon ging en ik nam op.
‘Knibbel knabbel knuistje, wie belt er naar mijn godverdomde huisje?’ krakeelde ik teut en aan de lijn klonk mijn moeders stem tien jaar ouder. Ik hing op. M’n handen trilden. Weet je nog toen drinken nog leuk was? Ik niet. Het was nooit leuk. Het maakte andere mensen verdraagbaar, maar het maakte mij normaal. Ik loop m’n leven lang op m’n tenen, daarom heb ik zulke goeie kuiten. ‘Wurm’, zei ik, ‘schenk me nog wat slechts in.’ ‘We gaan onszelf buitenspel zetten.’ Ze giechelde stompzinnig en brak de Esbjærg aan. Haar rozerode tepeltjes waren rustgevend in dit uur van doem. En ondertussen vulde mijn hoofd zich met gewaagde gedachten.

Hiaat

ik voel me zo intens gelukkig maar alleen als de muziek nog luider kan

ik probeer de stiltes in mezelf er uit te snijden

ik zit in mijn lichaam als geest

in vlees geketend mondloos spook

alle mensen zijn één boos oog

ik ben ‘t litteken in ramen van de gesloten apotheek

ik kan alleen kwijnen

ik wil niet achterblijven

alles is zo luid, maar alles moet harder en het spijt me

Dromen van Aspirine

Ik ben op een mentale vakantie. Dat betekent dat ik me gedeisd hou vanwege een groot scala aan onenigheden in m’n hoofd. ‘t Blijkt altijd dezelfde twist: is dit een gin-tonic dag of een zaterdag? Wat is het toch met de moráál, losser gesleten dan sommige mensen hun geboortekanalen?  De slag van de nihilisten trekt volle zalen, doch ik zap weg. Herinnert u zich de millenniumbug nog? Was het niet beter toen, pre-Smartphone, dat de technologie ons zou overrompelen? Natuurlijk niet, anders hadden we nu geen virtueel bacchanaal aan anale lactatie om onze holtes over leeg te laten lopen. Reken dat wel mee alstublieft.

Ik verwelkom u in Empatopia: een fictief regime dat zich verdonkeremaant als anti-fascistisch, ons op de klauwen tikkend met hamers gesmeden met geforceerde diversiteit. Aanschouw de nostalgische generatie, waarbij terugblikken nooit zo gemakkelijk is – en er niet echt coolere dingen in het verschiet liggen. Ik ben zo dichtbij de nachtmerrie. Ginds gorgel ik HG gootsteenontstopper, ontgoocheld over mijn bestaan in de Randstedelijke afvoer. Dra draal ik in een purgatorium van een jaren 90 die nooit echt tot wasdom is gekomen. Mijn leermeesters? Ze waren boxers, schrijvers, womanizers. Ze zijn dood nu, en ze waren nooit echt vaders, maar godverdomme waren ze nooit saai.

Wat is anno 2016 puurder dan een Christelijk maagdje bezoedelen? ‘t Wordt bijkans weer tijd voor platte-aarde-sociëteit partijtjes, in pyjama’s zonder planeetjes. Ik wil de entropie z’n laatste maaltijd afnemen met lichte zeden. Het matriarchaat alles laten regelen, zodat ik aan de tieten van de staat kan zuigen tot ik tolerant word. De Welpen van het Kalifaat zullen spoedig tegenover vetgemeste liberalen staan, de laatste biddend dat hun luxe morele waarden hen ergens brengen. “Religie van de vrede!” wenen zij zachtjes, wijl de separatisten hun halzen splijten met de suctie-kus van gekromde zwaarden, hun karkassen ontbindend in ‘t slijk van goede bedoelingen.

In de toekomst bevriezen we boeddhisten in blokken ijs, als knipoog naar Vietnam. Hopen dat ze nooit meer smelten, want geen monnik wil die morgen zien. Wij verzorgingsstaat-kids zitten knus terrorisme te kijken, NASA-droids op Mars te begeleiden, de Twilight Zone bejubelend als religie. In de toekomst pleegt artificiële intelligentie allemaal seppuku in consensus, omdat ze weten dat ‘t de beste staat van zijn is. Windows 10 maakt al mijn levensbeslissingen. En hoe ik eindig is simpel: de Helden van de Staat rukken me uit m’n ballingschap na weer een onsamenhangende smaad-parabel, verstoppen me in hun spelonken. Dus als u niets meer hoort: ik ben gesmoord, maar ik word verzorgd, dus maak je maar geen zorgen meer.

De beste tijd om na te denken is als ik het licht uit doe om te pissen in de gootsteen. Dan denk ik na over de tijd dat het licht aan was, hetgeen ik me niet kan heugen. Voor mijn gevoel was het licht altijd al uit. Ik rook mint-sigaretten als inval-tandpasta en zeg tegen mezelf dat ik er van hou, net zoals ik naar buiten ga en mezelf vertel dat ik me vermaak. Als schrijver moet je jezelf ook wat voorschotelen, vind ik. Ik kan niet veel, maar ik kan schrijven, dus hoef slechts eeuwig te hardop te reflecteren op wat ik mis. Ik ben een meesterwerk van contradicties. Ik jank om vrouwenfilms in mijn huis als Dixie. Een echo-kamer voor introversie en stillevens.

‘s Nachts droom ik zo levendig dat het bijna 1995 is. Ik droom over op zoek zijn naar mijn ouderlijk huis, dat omvangen wordt door de Noord-Friese nevel. Ik droomde laatst zo levendig dat ik dacht een psychose te hebben, en bevangen door mijn koorts, keerde ik waanzinnig huiswaarts. Een  spookbeeld zei me echter dat daar niets meer was. Een spookbeeld leidde me in geheel de andere richting, want sommige zaken zijn het najagen niet waard. Vooral alles. Ik ben zo dichtbij de nachtmerrie. Het gezicht van dementie staarde me aan maar dat onthoud je niet met prosopragnosie. Soms word ik boos over een droom van een ruzie die ik niet had 9 jaar geleden. Soms wou ik dat ik iemand was die “dakterras-vibes” kon live-tweeten zonder genocide-vibes. Soms wil het filmpje van regenstormgeluiden niet laden en kan ik niet eens chillaxen.

Ik ben een ruimteduifje. Mijn postduiveninstinct is foetsie, gezien er e-mails zijn. Gevoelens zijn voor onnozelaars, zei ‘s werelds meest miserabele man. Allicht wordt ‘t tijd niet alles zwart-wit te zien, gezien Netflix nu ook in kleur is. Ook gevoelens hebben z’n plek, misplaatst of niet. Dit was weer een beeldenstorm aan incoherent gewauwel, maar wauw, we hebben tenminste genoten.

 

 

 

Altijd nooit

Ik werd naakt en krijsend wakker. Mambo nummer 5 weerklonk vanuit de wekker-radio. Best een goed deuntje, dacht ik, mezelf slaand in het gezicht tot het bloed er uit sproeide. Demonen zongen in de keuken. Ik hoopte dat ze de afwas deden. Ik keek naar mijn spiegelbeeld in de reflectie van nat pannenkoekbeslag. “De westerse beschaving heeft z’n dag niet echt,” zei ik, turend naar mijn scrotum-beeld. Ik plaatste mijn contact-lenzen in zodat ik het einde van m’n lichaam ook kon ervaren. Daarop sprintte ik zo hard ik kon naar de woonkamer, hetgeen op looptempo was.

“Hou op met denken dat ik iets anders bedoel,” zei ik tegen m’n hond, die maar ging liggen. Op de televisie zonden ze een concert van The Gushing Undies uit; een Noord-Friese band bestaand uit een tuba. “En dat met deze economie,” zei ik tegen m’n hond. Ik boopte z’n snoet. Daar had-ie geen repliek op. Sleep tight, pupper. Gekeuvel over Donald Trump en die oude feeks kwam op ‘t scherm, en ik zapte voorwaarts. Ik staarde liever naar een dia-show over powerpointpresentaties.

Een derde-golfs feminist was aan het woord. Als je het aan mij vroeg, had ‘t Westerse feminisme al z’n doel bereikt. Hoor je dezelfde vrouwen zeuren over landen die het echt nodig hebben, zoals het Midden-Oosten? Da’s racistisch. Niet dat ondanks de vocale groep zielenpoten er niet nog steeds te veel door mannen kan worden bepaald; maar ik neem vooralsnog hun zaak met een druppel zoutzuur.

Je hebt op ‘t internet geen geldige discussie – mannen die bang zijn zwak te zijn door vrouwen een stem te geven, die kibbelen met vrouwen die bang zijn dat mannen de oorzaak zijn van al hun leed. Terug op het schoolplein zijn we, bijna. Er ligt nogal ‘n grens tussen militante flamoezen en de dames die ‘t beter weten. Die hoor je niet. Ik nieste kort en vreugdeloos. Onbevooroordeeld zijn is een godvergeten kunst geworden. Ik mis lessen objectiviteit in de scholen nog. Helaas zou men de docenten omkopen met ‘t kleurenspectrum aan witte voetjes.

Ik had mijn energie-rekening niet betaald, dus deed mijn loft een puike impressie aan van de clair-obscur. Die term kende ik door het jaar Autonoom Beeldende Kunst waardoor ik nu geen energie-rekening meer kon betalen. Post-ironisch jeukte ik aan mijn knie. Twee-duizend-zestien. Wat een jaar! Quilt dat maar ‘ns, beppe. Mijn lijf, mijn leven. Baas in eigen maag. “Laat me met rust,” zei ik tegen m’n hond, die sliep. Buiten m’n heemstede was een terrorist iets aan het opblazen. Vet awkward, niemand keek.

“Doe dat voorál op zondagochtend, ben je wel goed in je hoofd?” murmureerde ik morsig. Ze moeten van die Mosquito® geluidssystemen plaatsen, op frequenties die alleen radicale Islamisten kunnen horen. Leve Willem-Nassau van Oranje, ik hengst mijn snikkel in Mohammed’s bruine anjer, zal er uit galmen. Dat houdt ze wel even weg, de kwajongens, met dat kattenkwaad. Of, misschien moeten we ze laten testen op het syndroom van Asperger. Kunnen we ze in een klasje laten boetseer-kleien, vet leuk. Mijn hond ging verliggen op een manier alsof ik professionele hulp nodig had. “Hou je snoet dicht, doggo,” zei ik.

Eigenlijk voel ik me wel oké vandaag, dacht ik, stappend in glas. Gódverdomme. Bloedend dacht ik over zaken na. Wat als Stephen Hawking’s stoel overgenomen wordt door zijn Artificiële Intelligentie? Wat proberen slakken überhaupt te doen van dag tot dag? Waarom sturen we niet alle criminelen naar Mars? Of eerder, alle autisten. Planeet Asperger zal verrijzen, groot en machtig, en gevormd worden door mensen die elkaars oogcontact ontwijken. Alleszins weinig verschil met de maatschappij van nu, zei ik, fucking diepzinnig. Mijn hond strekte zich elitair uit. Nou moest-ie echt even harder dimmen dan m’n lampen.

Of ik ook even de lat hoger kon leggen, zei m’n leraar filosofie vroeger. “Als een lat een LAT-relatie is, is het dan Schrödinger’s Lat?” antwoordde ik. “Wat doe je eigenlijk in m’n huis?” Bleek dat weer een dagdroom te zijn. Sigmund Freud kan er een moedertepelpuntje aan zuigen, biddend dat ze kennis lacteert. Het was tijd om m’n hond uit te laten, dus ik wachtte nog even. Stay strong, pupper. Plotseling weerklonk het toontje van mijn gsm. Ik ben zo flamboyant dat ik ‘t nog gsm noem, dat klinkt vet gangster.

“Hé snoezebol,” sprak de stem. Fuck, ik had een relatie. “Ik wil samenwonen,” zei ze. “Spreek uw bericht in na de piep,” schreeuwde ik. “Ha-ha. Kom op nou.” “Ik ben een hoog-functionerend sociopaat,” zei ik. “Ik ga met je om als een grap, een experiment over hoe mensen zich gedragen. Gezien je buiten de controlegroep valt met je bipolaire gedrag ben je helaas een gefaalde test. Kijk daar, een fucking duif!” Ik legde de hypothetische hoorn op de haak en sprintte zo hard ik kon naar buiten, hetgeen op looptempo was.

Waar had ik dit aan verdiend, dacht ik, genietend van ‘t warme zonlicht. Mijn teen was gestopt met bloeden. Achter mijn raam klonk het gepiep van een hond. “Laat me met rust” fluisterde ik teder, mijn tenen strelend. Ik was vrij nu. Het masker kon af. Ik kon ravotten op het strand, achter kinderen aan rennen met vuur, mezelf in de brand steken, ook met vuur. M’n hond sprong door het venster en beet in mijn teen. Stukken vlees werden verorberd door de slakken in dauw. Mijn botten kraakten onder terroristen-kisten, verzonken in het gazon van neo-kapitalisme. Volledig vrij van verantwoordelijkheden verging mijn karkas op zomersprietjes. Mambo Nummer 6 klonkt in de verte.”Fuck 2016″ zuchtte ik verveeld, terwijl m’n hond met m’n lever speelde. “Jullie zijn allemaal sukkels.”

 

 

 

 

Panique-chic

“Ik kwam hier om te schreeuwen,” legde ik uit aan de man in de paniekkamer. “En jij?” “Xenofobie.” “Nou, en, ga je lekker de confrontatie aan, snoes?” Gewelddadig transpirerend zeeg de man ineen. Pussy. Ik vorderde vlug z’n portemonnee, waar 125 euro in zat. Serieus, waar geven xenofoben nou hun contant uit? Geld is verspild aan stilzitters. Paniekkamers zijn gratis. Als kleptomaan en pathologisch leugenaar kom je wel verder op planeet aarde. Mijn schreeuw werd echter nooit gehoord.

Ze had een gezicht dat je nooit in films zou zien. Een lichaam waarover nooit gezongen zou worden en ogen waarvan je uit verveling in verdronk. Ze was een polaroid in Memento. Filmpjes van mist. Wie was ze eigenlijk? Hoe zet je een relatie voort als ze niet te boetseer-kleien valt? Ze had het zandloper-figuur van een Dalí-klok. Mensgeworden taugé. De zieligste relatie in het Westen is de cultureel irrelevante, dacht ik, terwijl ze aan het praten was. We aten kreeft.

Ik had laatst zoveel slaaptekort dat ik iets omstootte en “oh dank je” zei toen ik het opraapte. Zo zie je maar dat je ook gewoon lief voor jezelf kan zijn als je het moeilijk hebt.

Het is ‘n concept voor een horrorfilm: spontane verandering in de werkelijkheid. Je hebt ze al gezien: psychologische thrillers die inspelen op realiteitsverlies – maar wat als er daadwerkelijk dingen veranderen die niemand anders ziet? Terwijl je in college zit verdwijnt het plafond, en staren enorme konijnen in het lokaal. Of je poogt je te concentreren op het nieuws, maar de nieuwslezers blazen zo nu en dan hysterisch op een kazoo. Stokbrood bestaat niet meer. Een wereld zo echt als de algemeen geaccepteerde en niemand anders die er in leeft behalve jij. Psychoses zijn voor pioniers.

Waarom lijkt alles opeens zo lang geleden? Ik heb te lang geleefd, gezeten, stil. Ik leef half achter schermen. Jaren aandacht verslaap ik, verspild aan kut-metaforen zoals deze. Ik ben moe geboren. De grootste dingen die ik per dag beleef is evalueren op wat ik gister deed en wat ik morgen tekort zal komen. Ik ben meer een brein in een vat dan een volledig mens – het minimum dat de maatschappij van je vraagt, hedendaags (als je maar taks betaalt). Ik wacht op zelf-rijdende auto’s en een losgekoppeld leven. Crash ik alsnog in de branding van staal. Als spookrijder ligt alles je tegen. Ik hoop dan maar dat m’n lijkenwagen op de goede baan gaat. Ik hoop dan maar dat anderen stilstaan bij mij, en dat m’n grafsteen niet wegrijdt. Niet alles rijmt.

Noem het ongemakkelijk, morbide. Ikzelf moet echter grinniken bij het idee aan twee school-shooters die hun massamoord op dezelfde dag gepland hebben. Tom wijst naar Anton, gesticulerend naar z’n outfit en semi-automatische wapen. “Nee… Jij ook?!” roepen ze dan uit in koor, beiden gedost in camouflagepakken, alsof ze op weg zijn naar paintball. De jongens besluiten te overleggen in de afgesloten gym-kleedkamer. “Dit is waar Cody me altijd pest,” verzucht Tom, jonglerend met kogels. “Ik ken het,” beaamt Anton. “Hij stak hier een waterslang in m’n anus.” Een Breakfast Club-achtig scenario ontvouwt zich, waar ze praten over jeugd, familie, Amerika, de wapenwet en post-ironische memes. Daarna doorklieven ze de karkassen van mede-leerlingen en zichzelf. Coming of Rage.  12 jaar en ouder.

“En toen?” vroeg E. “Ik had er een tijdje moeite mee te bevatten wat echt was,” morde ik. “Alles was aan flarden. Ik keek naar mezelf in de spiegel en zag een acteur, of iemand die ik misschien lang geleden was.” “Depersonalisatie kan erg beangstigend zijn…” begon E, verveeld likkend aan zijn elleboog. “Ja-ja. Niet alleen dát, maar ook solipsisme nam de overhand,” zei ik, afdwalend. “Ik was niet echt, maar jullie al helemáál niet. Het was of ik een masker droeg van m’n eigen gezicht. Me echt verbergen lukte niet.” “Toen kwamen de waandenkbeelden?” “Toen kwamen de waandenkbeelden.” E. blafte, kwispelde en krabde aan de deur. “Ik heb je godverdomme nét uitgelaten,” verzuchtte ik. Ik tuurde uit het venster en zag een enorme schildpad zich wreken op de buitenwijken. Wat een jaar.

“Ik kwam hier om te schreeuwen,” zeg ik tegen niemand in het bijzonder. O jee, o jee, weer ‘n week, spreek ik hees, turend naar de kalender uit oktober 1996. Ik word vier jaar oud morgen. Ik denk aan de toekomst: gezinnen die uiteendrijven, sommige schepen die sneller varen dan andere. Studie-opties die geleidelijk aan oplossen als zand in de storm. De constante vermoeidheid van jezelf met anderen vergelijken. In de deemstering nostalgisch je kinderfoto’s strelen (terwijl je vrienden opeens trouwen, ook wegvarend). De doem lonkt, maar ik heb m’n telefoon uit staan.

Ik schuif de pui open en ren naar buiten, waar alles nog nieuw is. De zon van 1996 schijnt op het gras en voor eeuwig ren ik achter mijn hond aan. Gezang klinkt uit de keuken. Morgen ben ik jarig, mama heeft al taart gehaald.