Ik ging een leven lang overal NEE op zeggen en je gelooft nooit wat er toen gebeurde.

NUTS – I love nuts. When I get depressed in the holidays I crack nuts open with my head. The brain damage helps me forget the pain. – Anonymous 

Morgen is er weer een nacht. Alle wolken zijn zwanger van de hitte, en over dertig zomers is het tweeduizendtwintig. Of het weer dan bevalt zullen we nog maar zien. Post ironische stress maakt zich van mij meester, ook al gaat het leven enigszins beter. Mijn psycholoog besloot dat ik een vermijdende persoonlijkheidsstoornis heb. Ik heb haar ter plekke ontvolgd op Instagram. Wie zal nu je #balconyvibes foto’s bekijken, dikbenige stalknoert? Gefeliciteerd, je bent helemaal niemand meer. Ik beende naar huis op een drafje. Ik keek niet om, waarom zou ik.

Plot twist: dit was wederom een fijn staaltje klikaas trucage. Ik haal namelijk tegenwoordig meer voldoening uit banden opbouwen met mens en dier. Ja, het staat er toch echt. De Joden moet ik nog aan wennen. Stiekem ben ik kanker liefdevol. Ik meet mezelf tegen een onmogelijke standaard omdat ik er van uit ga dat iedereen me ook per direct een schichtig stom kronkelwormpje vindt, wat dan een zichzelf vervullende profetie is. Ons onderzoeksteam ging op pad en kwam er achter dat het negenentachtig procent “geen flikker boeit” want “letterlijk wie is hij”.

Ik verberg me vaak achter een regengordijn aan misselijkmakend sarcasme ter bescherming tegen het feit dat alles me vaak te veel aangrijpt. Alleen verliezers doen aan emoties, morde de meest miserabele man op aarde. Feit is dat ik doorhad mensen me meer begonnen te waarderen als ik de onbewust geplaatste façade liet zakken, bijna alsof mensen je meer mogen als je niet tegen jezelf liegt. Bi-zar. Als ik ergens een hekel aan heb zijn het oneerlijke mensen en zeemeeuwen.

Emoties vond ik voor over-enthousiast plebs, maar je voordoen als quasi-nonchalante elite maakt je de avant garde der posers. “Was ik 3, 4 jaar terug echt zo kut?” vroeg ik dan, hysterisch mensen vastklampend op straat en die keken echt zo van ja lekker gênant dit man. Soms ben ik wel op mijn gemak en dan ben ik hartstikke vervelend. In een moment van l’appel du vide moet ik mezelf weerhouden om hilarische dingen te plaatsen op de web zone waarvan ik later denk: niemand vindt dit leuk, niemand vindt jou leuk. Vervloekt zij mijn talenten! Ik ben te goed geworden in mezelf verslaan via zelfsabotage; hou me tegen of ik doe het zelf al voor je.

Hoeveel waarde ik toeken en tijd ik besteed aan negatieve gedachten bepaalt in hoeverre ze daadwerkelijk waar zijn. Ik klink echt als Kapitein Wijsneus nu, maar ‘t is oprecht een hele openbaring om opeens door te hebben dat én ik niet gedoemd ben tot het bestaan als trieste clown, én dat ik lange tijd iemand ben geweest die ik niet wil zijn – dus, eindelijk een goede reden om te willen veranderen. En je kan slap tegen jezelf lullen of therapie volgen wat je wil,  maar je moet het echt willen. En Kapitein Wijsneus? Die stierf ongehuwd aan zweren en tuberculose, dus ‘t is een beetje kut moment om dat te vragen.

Wat in mij dan wel ‘n gezonde portie gramschap deed opborrelen was dat Spotify afspeellijsten heeft voor iedere emotie; behalve woede. Waarom wordt mij niet toegestaan om misnoegd te zijn? “Wat is dit, ‘n dystopische roman van Orson Welles die ik stiekem Orson Nietes gelezen heb? Wie denken jullie dat ik denk dat ik ben? Jij en welk leger?!” kraaide ik koperkelig naar de hemelen, gebalde vuisten opgestoken, vervuld van toorn en donder. Men keek mij aan, ik kwam tot bedaren. Het hoort allemaal  bij het groeiproces, fluisterde ik hees.

Morgen is er weer een nacht. Misschien ga ik alsnog ten onder. Echter, ik weet nu wie ik kan zijn en dat is handig om te weten als je in het verschiet een heel mens wilt zijn. Dan moet ik wel leren minder te peinzen over onzin, en mezelf  niet te hard te straffen voor dingen die buiten m’n macht liggen – wat de meeste dingen blijken te zijn. Voor mij staat de wereld vaak veel te luid en m’n brein doet ook maar z’n vak. Stom ding zo’n brein, maar je hebt er maar eentje.

 

 

 

Fucked.txt

Dus dat was anaal,’ zuchtte het wormachtig wicht, kronkelend d’r kringspier strekkend. Een oranje zonnestraal viel op het reliëf van een anus. Dat is de stille belofte van lente, stelde ik. Mijn ogen prikten koortsig, droog, mijn maagzuur verslikte zich in zichzelf. Ik voelde me niet helemaal echt. Door de dansende spooksterretjes rook ik lakens aan omgewoelde adem. Oprispingen in boxsprings. Er waren zoveel vragen die ik kon stellen om de stilte wat te sussen, maar nee, Wurm had geen antwoord, alleen een anus. Die vertellen geen verhalen.
Je leven stroomt tweemaal uit je zegt men; eerst als je karkas de zoden onder glibbert en de tweede keer als je livestream over zelfheling voor ‘t laatst gedeeld is. Als iemand zonder Instagram-volgers zich opknoopt in een bos, is z’n nek daadwerkelijk geknapt? Alleen als je het vastlegt. Ikzelf drink gewoon een paar knuisten vol halve liters en voor je ‘t weet ben je de leider van je eigen halve waarheden. Nooit rust. Wurm’s rectum werkte bijkans als zonnewijzer. ‘t Was het noen uur – tijd voor ‘n ei. Zo deed Columbus ‘t ook.
Gezien er geen eieren waren schonk mezelf een fletse eierdop gegiste wijn in. Gun jezelf wat. Hoor je mij bitter zingen, afgezien van de hele godganse tijd? Wurm was een meisje waar ik m’n lul al een tijdje in zat te hijsen. Soms kwam daar een kwakje uit, trillend in meisjeszuur. Ons onherroepelijk noodlot en perpetuele rouw kwamen overeen, en als ze haar papa erg miste kwam ze het hardst. Wanneer ik m’n tipje in d’r sluier roerde daalde het neer als een gordijn van doemdruppels. Ik was een jongen die bestond als vet in frituur, en vaak sudderde er volk naast mij die tot de krokante consensus kwamen: verdelg uw gedachtegoed. Denken wens je niemand toe.
Ik kon niet stoppen met drinken. Niet nu. Niet met deze economie. Niet met deze wentelteef die met haar poreuze foef mijn nest zedigde. Als ik nuchter werd moest ik m’n gedachten achterna, en verdoving is macht – dus laat maar. Als het aan mij lag werd iedereen onvruchtbaar gemaakt bij geboorte. Ikzelf ben uitgeput geboren. Ik zette Death Grips zo luid dat ik m’n maagzuur smoorde. Porde speels met mijn eikel in haar oogkas. Ze murmureerde iets over haarspelden of crèmespoeling of waar de deernes ook maar over zaniken. “DE SLIJTERIJ GAAT SLUITEN!” snerpte ik in haar oorschelp. De zon ging onder en ze werd wakker.
Gevangen in een trui en gebroken witte sportsluipers jakkerde ze buiten, mascaravlekken vettig gesmeerd op d’r broze poppenhoofd, mopperend over zon, tampons en dood, ‘al die kanker-dagjesmensen moeten DOOD’. ‘Neem het stuur over als ik weg val’ morde ik, naar de Audi wankelend. ‘Je hebt toch geen auto,’ zei ze hees. Ik knikte verslagen. Wishful thinking. Zelfs in mijn dagdromen kan ik slechts in ‘t duister tasten naar een ontsporende Audi. Onderwijl begon de Immerleegte in te kicken, wat betekende dat ik snel beneveld moest worden of ik kon het leven niet meer relativeren met vlijmscherp sarcasme. Zo kan een kunstenaar niet werken.
In kwelzucht haatdragend, aan mezelf overgelaten – zo zat ik in elkaar. De wereld was een boosdoener, en ik tot dusver onverslagen. Zodra je denkt dat het leven optimaler kan hengst ‘t z’n fiere tamp ongelubriceerd in je konthol. Wurm zong vals en zwalkte schalks in dwangbuistrui en ik hoopte dat ik thuis was, maar ik was op de heenweg naar meer verdrongen heimwee. M’n ouders zouden op visite komen en ik was kotsmisselijk. Het kassawijf bij de drankzaak had d’r tiet er af laten snijden, leukemie-preventief zei ze – het maakte niet uit, ik zag toch al dubbel van apathie. Wij en de Esbjærg reisden we naar alweer ‘n stomme horizon. We kwamen aan bij mijn loft. Ik had zin om mensen kapot te snijden.
Ik had zo lang niet gegeten of geslapen dat m’n oksels roken naar ammoniak. M’n spierweefsel deed zich tegoed aan zichzelf. Zelfvernietiging is verslavend als steeds bewezen wordt dat beterschap een legende is. Ik werd gewenkt door fictief gescandeer van schaduwmensen en had een volledige hartstilstand, maar ik moest een jointje vervaardigen dus had geen tijd voor die nonsens. Sterven is voor plebs. Wurm trok onhandig haar kleding uit tot ze enkel een slipje aanhad, en ze begon met inschenken. M’n hele gezicht tintelde nu, als een strakgetrokken masker. We namen een shotje, en nog één, en nog één. Ik opende een halve liter. Ik voelde me zo slecht. Alles voelde zinloos als ik lang genoeg niet dronk en het hele huis rook naar zolder. De telefoon ging en ik nam op.
‘Knibbel knabbel knuistje, wie belt er naar mijn godverdomde huisje?’ krakeelde ik teut en aan de lijn klonk mijn moeders stem tien jaar ouder. Ik hing op. M’n handen trilden. Weet je nog toen drinken nog leuk was? Ik niet. Het was nooit leuk. Het maakte andere mensen verdraagbaar, maar het maakte mij normaal. Ik loop m’n leven lang op m’n tenen, daarom heb ik zulke goeie kuiten. ‘Wurm’, zei ik, ‘schenk me nog wat slechts in.’ ‘We gaan onszelf buitenspel zetten.’ Ze giechelde stompzinnig en brak de Esbjærg aan. Haar rozerode tepeltjes waren rustgevend in dit uur van doem. En ondertussen vulde mijn hoofd zich met gewaagde gedachten.

Hiaat

ik voel me zo intens gelukkig maar alleen als de muziek nog luider kan

ik probeer de stiltes in mezelf er uit te snijden

ik zit in mijn lichaam als geest

in vlees geketend mondloos spook

alle mensen zijn één boos oog

ik ben ‘t litteken in ramen van de gesloten apotheek

ik kan alleen kwijnen

ik wil niet achterblijven

alles is zo luid, maar alles moet harder en het spijt me

Dromen van Aspirine

Ik ben op een mentale vakantie. Dat betekent dat ik me gedeisd hou vanwege een groot scala aan onenigheden in m’n hoofd. ‘t Blijkt altijd dezelfde twist: is dit een gin-tonic dag of een zaterdag? Wat is het toch met de moráál, losser gesleten dan sommige mensen hun geboortekanalen?  De slag van de nihilisten trekt volle zalen, doch ik zap weg. Herinnert u zich de millenniumbug nog? Was het niet beter toen, pre-Smartphone, dat de technologie ons zou overrompelen? Natuurlijk niet, anders hadden we nu geen virtueel bacchanaal aan anale lactatie om onze holtes over leeg te laten lopen. Reken dat wel mee alstublieft.

Ik verwelkom u in Empatopia: een fictief regime dat zich verdonkeremaant als anti-fascistisch, ons op de klauwen tikkend met hamers gesmeden met geforceerde diversiteit. Aanschouw de nostalgische generatie, waarbij terugblikken nooit zo gemakkelijk is – en er niet echt coolere dingen in het verschiet liggen. Ik ben zo dichtbij de nachtmerrie. Ginds gorgel ik HG gootsteenontstopper, ontgoocheld over mijn bestaan in de Randstedelijke afvoer. Dra draal ik in een purgatorium van een jaren 90 die nooit echt tot wasdom is gekomen. Mijn leermeesters? Ze waren boxers, schrijvers, womanizers. Ze zijn dood nu, en ze waren nooit echt vaders, maar godverdomme waren ze nooit saai.

Wat is anno 2016 puurder dan een Christelijk maagdje bezoedelen? ‘t Wordt bijkans weer tijd voor platte-aarde-sociëteit partijtjes, in pyjama’s zonder planeetjes. Ik wil de entropie z’n laatste maaltijd afnemen met lichte zeden. Het matriarchaat alles laten regelen, zodat ik aan de tieten van de staat kan zuigen tot ik tolerant word. De Welpen van het Kalifaat zullen spoedig tegenover vetgemeste liberalen staan, de laatste biddend dat hun luxe morele waarden hen ergens brengen. “Religie van de vrede!” wenen zij zachtjes, wijl de separatisten hun halzen splijten met de suctie-kus van gekromde zwaarden, hun karkassen ontbindend in ‘t slijk van goede bedoelingen.

In de toekomst bevriezen we boeddhisten in blokken ijs, als knipoog naar Vietnam. Hopen dat ze nooit meer smelten, want geen monnik wil die morgen zien. Wij verzorgingsstaat-kids zitten knus terrorisme te kijken, NASA-droids op Mars te begeleiden, de Twilight Zone bejubelend als religie. In de toekomst pleegt artificiële intelligentie allemaal seppuku in consensus, omdat ze weten dat ‘t de beste staat van zijn is. Windows 10 maakt al mijn levensbeslissingen. En hoe ik eindig is simpel: de Helden van de Staat rukken me uit m’n ballingschap na weer een onsamenhangende smaad-parabel, verstoppen me in hun spelonken. Dus als u niets meer hoort: ik ben gesmoord, maar ik word verzorgd, dus maak je maar geen zorgen meer.

De beste tijd om na te denken is als ik het licht uit doe om te pissen in de gootsteen. Dan denk ik na over de tijd dat het licht aan was, hetgeen ik me niet kan heugen. Voor mijn gevoel was het licht altijd al uit. Ik rook mint-sigaretten als inval-tandpasta en zeg tegen mezelf dat ik er van hou, net zoals ik naar buiten ga en mezelf vertel dat ik me vermaak. Als schrijver moet je jezelf ook wat voorschotelen, vind ik. Ik kan niet veel, maar ik kan schrijven, dus hoef slechts eeuwig te hardop te reflecteren op wat ik mis. Ik ben een meesterwerk van contradicties. Ik jank om vrouwenfilms in mijn huis als Dixie. Een echo-kamer voor introversie en stillevens.

‘s Nachts droom ik zo levendig dat het bijna 1995 is. Ik droom over op zoek zijn naar mijn ouderlijk huis, dat omvangen wordt door de Noord-Friese nevel. Ik droomde laatst zo levendig dat ik dacht een psychose te hebben, en bevangen door mijn koorts, keerde ik waanzinnig huiswaarts. Een  spookbeeld zei me echter dat daar niets meer was. Een spookbeeld leidde me in geheel de andere richting, want sommige zaken zijn het najagen niet waard. Vooral alles. Ik ben zo dichtbij de nachtmerrie. Het gezicht van dementie staarde me aan maar dat onthoud je niet met prosopragnosie. Soms word ik boos over een droom van een ruzie die ik niet had 9 jaar geleden. Soms wou ik dat ik iemand was die “dakterras-vibes” kon live-tweeten zonder genocide-vibes. Soms wil het filmpje van regenstormgeluiden niet laden en kan ik niet eens chillaxen.

Ik ben een ruimteduifje. Mijn postduiveninstinct is foetsie, gezien er e-mails zijn. Gevoelens zijn voor onnozelaars, zei ‘s werelds meest miserabele man. Allicht wordt ‘t tijd niet alles zwart-wit te zien, gezien Netflix nu ook in kleur is. Ook gevoelens hebben z’n plek, misplaatst of niet. Dit was weer een beeldenstorm aan incoherent gewauwel, maar wauw, we hebben tenminste genoten.

 

 

 

Altijd nooit

Ik werd naakt en krijsend wakker. Mambo nummer 5 weerklonk vanuit de wekker-radio. Best een goed deuntje, dacht ik, mezelf slaand in het gezicht tot het bloed er uit sproeide. Demonen zongen in de keuken. Ik hoopte dat ze de afwas deden. Ik keek naar mijn spiegelbeeld in de reflectie van nat pannenkoekbeslag. “De westerse beschaving heeft z’n dag niet echt,” zei ik, turend naar mijn scrotum-beeld. Ik plaatste mijn contact-lenzen in zodat ik het einde van m’n lichaam ook kon ervaren. Daarop sprintte ik zo hard ik kon naar de woonkamer, hetgeen op looptempo was.

“Hou op met denken dat ik iets anders bedoel,” zei ik tegen m’n hond, die maar ging liggen. Op de televisie zonden ze een concert van The Gushing Undies uit; een Noord-Friese band bestaand uit een tuba. “En dat met deze economie,” zei ik tegen m’n hond. Ik boopte z’n snoet. Daar had-ie geen repliek op. Sleep tight, pupper. Gekeuvel over Donald Trump en die oude feeks kwam op ‘t scherm, en ik zapte voorwaarts. Ik staarde liever naar een dia-show over powerpointpresentaties.

Een derde-golfs feminist was aan het woord. Als je het aan mij vroeg, had ‘t Westerse feminisme al z’n doel bereikt. Hoor je dezelfde vrouwen zeuren over landen die het echt nodig hebben, zoals het Midden-Oosten? Da’s racistisch. Niet dat ondanks de vocale groep zielenpoten er niet nog steeds te veel door mannen kan worden bepaald; maar ik neem vooralsnog hun zaak met een druppel zoutzuur.

Je hebt op ‘t internet geen geldige discussie – mannen die bang zijn zwak te zijn door vrouwen een stem te geven, die kibbelen met vrouwen die bang zijn dat mannen de oorzaak zijn van al hun leed. Terug op het schoolplein zijn we, bijna. Er ligt nogal ‘n grens tussen militante flamoezen en de dames die ‘t beter weten. Die hoor je niet. Ik nieste kort en vreugdeloos. Onbevooroordeeld zijn is een godvergeten kunst geworden. Ik mis lessen objectiviteit in de scholen nog. Helaas zou men de docenten omkopen met ‘t kleurenspectrum aan witte voetjes.

Ik had mijn energie-rekening niet betaald, dus deed mijn loft een puike impressie aan van de clair-obscur. Die term kende ik door het jaar Autonoom Beeldende Kunst waardoor ik nu geen energie-rekening meer kon betalen. Post-ironisch jeukte ik aan mijn knie. Twee-duizend-zestien. Wat een jaar! Quilt dat maar ‘ns, beppe. Mijn lijf, mijn leven. Baas in eigen maag. “Laat me met rust,” zei ik tegen m’n hond, die sliep. Buiten m’n heemstede was een terrorist iets aan het opblazen. Vet awkward, niemand keek.

“Doe dat voorál op zondagochtend, ben je wel goed in je hoofd?” murmureerde ik morsig. Ze moeten van die Mosquito® geluidssystemen plaatsen, op frequenties die alleen radicale Islamisten kunnen horen. Leve Willem-Nassau van Oranje, ik hengst mijn snikkel in Mohammed’s bruine anjer, zal er uit galmen. Dat houdt ze wel even weg, de kwajongens, met dat kattenkwaad. Of, misschien moeten we ze laten testen op het syndroom van Asperger. Kunnen we ze in een klasje laten boetseer-kleien, vet leuk. Mijn hond ging verliggen op een manier alsof ik professionele hulp nodig had. “Hou je snoet dicht, doggo,” zei ik.

Eigenlijk voel ik me wel oké vandaag, dacht ik, stappend in glas. Gódverdomme. Bloedend dacht ik over zaken na. Wat als Stephen Hawking’s stoel overgenomen wordt door zijn Artificiële Intelligentie? Wat proberen slakken überhaupt te doen van dag tot dag? Waarom sturen we niet alle criminelen naar Mars? Of eerder, alle autisten. Planeet Asperger zal verrijzen, groot en machtig, en gevormd worden door mensen die elkaars oogcontact ontwijken. Alleszins weinig verschil met de maatschappij van nu, zei ik, fucking diepzinnig. Mijn hond strekte zich elitair uit. Nou moest-ie echt even harder dimmen dan m’n lampen.

Of ik ook even de lat hoger kon leggen, zei m’n leraar filosofie vroeger. “Als een lat een LAT-relatie is, is het dan Schrödinger’s Lat?” antwoordde ik. “Wat doe je eigenlijk in m’n huis?” Bleek dat weer een dagdroom te zijn. Sigmund Freud kan er een moedertepelpuntje aan zuigen, biddend dat ze kennis lacteert. Het was tijd om m’n hond uit te laten, dus ik wachtte nog even. Stay strong, pupper. Plotseling weerklonk het toontje van mijn gsm. Ik ben zo flamboyant dat ik ‘t nog gsm noem, dat klinkt vet gangster.

“Hé snoezebol,” sprak de stem. Fuck, ik had een relatie. “Ik wil samenwonen,” zei ze. “Spreek uw bericht in na de piep,” schreeuwde ik. “Ha-ha. Kom op nou.” “Ik ben een hoog-functionerend sociopaat,” zei ik. “Ik ga met je om als een grap, een experiment over hoe mensen zich gedragen. Gezien je buiten de controlegroep valt met je bipolaire gedrag ben je helaas een gefaalde test. Kijk daar, een fucking duif!” Ik legde de hypothetische hoorn op de haak en sprintte zo hard ik kon naar buiten, hetgeen op looptempo was.

Waar had ik dit aan verdiend, dacht ik, genietend van ‘t warme zonlicht. Mijn teen was gestopt met bloeden. Achter mijn raam klonk het gepiep van een hond. “Laat me met rust” fluisterde ik teder, mijn tenen strelend. Ik was vrij nu. Het masker kon af. Ik kon ravotten op het strand, achter kinderen aan rennen met vuur, mezelf in de brand steken, ook met vuur. M’n hond sprong door het venster en beet in mijn teen. Stukken vlees werden verorberd door de slakken in dauw. Mijn botten kraakten onder terroristen-kisten, verzonken in het gazon van neo-kapitalisme. Volledig vrij van verantwoordelijkheden verging mijn karkas op zomersprietjes. Mambo Nummer 6 klonkt in de verte.”Fuck 2016″ zuchtte ik verveeld, terwijl m’n hond met m’n lever speelde. “Jullie zijn allemaal sukkels.”

 

 

 

 

Panique-chic

“Ik kwam hier om te schreeuwen,” legde ik uit aan de man in de paniekkamer. “En jij?” “Xenofobie.” “Nou, en, ga je lekker de confrontatie aan, snoes?” Gewelddadig transpirerend zeeg de man ineen. Pussy. Ik vorderde vlug z’n portemonnee, waar 125 euro in zat. Serieus, waar geven xenofoben nou hun contant uit? Geld is verspild aan stilzitters. Paniekkamers zijn gratis. Als kleptomaan en pathologisch leugenaar kom je wel verder op planeet aarde. Mijn schreeuw werd echter nooit gehoord.

Ze had een gezicht dat je nooit in films zou zien. Een lichaam waarover nooit gezongen zou worden en ogen waarvan je uit verveling in verdronk. Ze was een polaroid in Memento. Filmpjes van mist. Wie was ze eigenlijk? Hoe zet je een relatie voort als ze niet te boetseer-kleien valt? Ze had het zandloper-figuur van een Dalí-klok. Mensgeworden taugé. De zieligste relatie in het Westen is de cultureel irrelevante, dacht ik, terwijl ze aan het praten was. We aten kreeft.

Ik had laatst zoveel slaaptekort dat ik iets omstootte en “oh dank je” zei toen ik het opraapte. Zo zie je maar dat je ook gewoon lief voor jezelf kan zijn als je het moeilijk hebt.

Het is ‘n concept voor een horrorfilm: spontane verandering in de werkelijkheid. Je hebt ze al gezien: psychologische thrillers die inspelen op realiteitsverlies – maar wat als er daadwerkelijk dingen veranderen die niemand anders ziet? Terwijl je in college zit verdwijnt het plafond, en staren enorme konijnen in het lokaal. Of je poogt je te concentreren op het nieuws, maar de nieuwslezers blazen zo nu en dan hysterisch op een kazoo. Stokbrood bestaat niet meer. Een wereld zo echt als de algemeen geaccepteerde en niemand anders die er in leeft behalve jij. Psychoses zijn voor pioniers.

Waarom lijkt alles opeens zo lang geleden? Ik heb te lang geleefd, gezeten, stil. Ik leef half achter schermen. Jaren aandacht verslaap ik, verspild aan kut-metaforen zoals deze. Ik ben moe geboren. De grootste dingen die ik per dag beleef is evalueren op wat ik gister deed en wat ik morgen tekort zal komen. Ik ben meer een brein in een vat dan een volledig mens – het minimum dat de maatschappij van je vraagt, hedendaags (als je maar taks betaalt). Ik wacht op zelf-rijdende auto’s en een losgekoppeld leven. Crash ik alsnog in de branding van staal. Als spookrijder ligt alles je tegen. Ik hoop dan maar dat m’n lijkenwagen op de goede baan gaat. Ik hoop dan maar dat anderen stilstaan bij mij, en dat m’n grafsteen niet wegrijdt. Niet alles rijmt.

Noem het ongemakkelijk, morbide. Ikzelf moet echter grinniken bij het idee aan twee school-shooters die hun massamoord op dezelfde dag gepland hebben. Tom wijst naar Anton, gesticulerend naar z’n outfit en semi-automatische wapen. “Nee… Jij ook?!” roepen ze dan uit in koor, beiden gedost in camouflagepakken, alsof ze op weg zijn naar paintball. De jongens besluiten te overleggen in de afgesloten gym-kleedkamer. “Dit is waar Cody me altijd pest,” verzucht Tom, jonglerend met kogels. “Ik ken het,” beaamt Anton. “Hij stak hier een waterslang in m’n anus.” Een Breakfast Club-achtig scenario ontvouwt zich, waar ze praten over jeugd, familie, Amerika, de wapenwet en post-ironische memes. Daarna doorklieven ze de karkassen van mede-leerlingen en zichzelf. Coming of Rage.  12 jaar en ouder.

“En toen?” vroeg E. “Ik had er een tijdje moeite mee te bevatten wat echt was,” morde ik. “Alles was aan flarden. Ik keek naar mezelf in de spiegel en zag een acteur, of iemand die ik misschien lang geleden was.” “Depersonalisatie kan erg beangstigend zijn…” begon E, verveeld likkend aan zijn elleboog. “Ja-ja. Niet alleen dát, maar ook solipsisme nam de overhand,” zei ik, afdwalend. “Ik was niet echt, maar jullie al helemáál niet. Het was of ik een masker droeg van m’n eigen gezicht. Me echt verbergen lukte niet.” “Toen kwamen de waandenkbeelden?” “Toen kwamen de waandenkbeelden.” E. blafte, kwispelde en krabde aan de deur. “Ik heb je godverdomme nét uitgelaten,” verzuchtte ik. Ik tuurde uit het venster en zag een enorme schildpad zich wreken op de buitenwijken. Wat een jaar.

“Ik kwam hier om te schreeuwen,” zeg ik tegen niemand in het bijzonder. O jee, o jee, weer ‘n week, spreek ik hees, turend naar de kalender uit oktober 1996. Ik word vier jaar oud morgen. Ik denk aan de toekomst: gezinnen die uiteendrijven, sommige schepen die sneller varen dan andere. Studie-opties die geleidelijk aan oplossen als zand in de storm. De constante vermoeidheid van jezelf met anderen vergelijken. In de deemstering nostalgisch je kinderfoto’s strelen (terwijl je vrienden opeens trouwen, ook wegvarend). De doem lonkt, maar ik heb m’n telefoon uit staan.

Ik schuif de pui open en ren naar buiten, waar alles nog nieuw is. De zon van 1996 schijnt op het gras en voor eeuwig ren ik achter mijn hond aan. Gezang klinkt uit de keuken. Morgen ben ik jarig, mama heeft al taart gehaald.

 

 

 

 

Hier is alles wolk

Het hangt weer allemaal van mij af, en laat mij nu net een afdruiprekje zijn. Daar had ik zelf ook geen inspraak in; ik rek slechts tijdsbestek. Ik tuur naar het plafond alsof daar de oplossingen onderdak zoeken, en het lekt. Suicide Tuesday arriveert punctueel momenteel, als een koerier die stagnaties thuis probeert te ontstrompelen en daarom ‘n NEE-NEE plakkertje zegelt op z’n ongeadresseerde emoties. Het regent steeds. Wat ik wil benadrukken is dit: Life is fucked. Pas als je voorhoofdsholte slaaptekort-technisch tintelt om 4:56 zaterdagochtend als je snakt naar shotjes droomloze slaap, weet je hoe het is om iemand anders te willen zijn. Voor niets komt de zon op, laat dat nu net mijn ondergang zijn.

Misschien gebeurt er wel iets goeds morgen, anderzijds waarom zou er ooit iets goeds gebeuren? Meer kans dat je geschept wordt door een mensenhaai die door genoeg voltages bliksem is geraakt op weg naar de vriendenloterij. Hint: er zijn grotere kansen geweest. Het leven is statistisch gezien onwaarschijnlijk, en wij vervolgens toch maar ademen. Ik stak een sigaret op uit godvergeten wanhoop ‘t narratief te kickstarten. Cohesie is voor nozems. Ik dacht, ‘t wordt hoog tijd om weer een quasi-ludiek blogstolsel over mijn laaiend interessante leven het internet in te hengsten. Ik bedoel, er gebeurt zo veel. Zo zat ik gister op een stoel en wachtte ik een tijdje. Dat was een heftig moment. Gelukkig ging het voorbij.

Ja nee maar serieus. Ik ben ondertussen gewend aan de mentale medicatie die je interne beloningssysteem opkrikt. Ik doe gewoon de afwas en denk daarna: dat heb je nou goed gedaan, gedegenereerd geteisem van de onderklasse. Ik moet nog werken aan de zelfspot, maar ik kom er wel. Mijn structuurcoach zei laatst dat ik goed bezig was, en ik zat er naast van: “dat jargon kende ik nog niet haha”. Ik heb dan wel in de praktijk geen officiële baan of opleiding, maar op het moment dat je verlamd bent door angsten is iedere stap de beste. En dan komt er weer een Spotify-reclame die je dag ultiem verpulvert tussen purperen knuistjes van misophonisch triggerende klotezooi. Serieus Rihanna, pak je biezen. Je bent genoeg geweest.

Eigenlijk hik ik al een maand aan tegen ‘n paar Grote Skribbels met genuanceerde meningen over de vluchtelingencrisis, feminisme en de vraag of God dood is. Aan de andere kant, we hebben het allemaal al gehoord. Als ik iets lees wil je juist uit de realiteit stappen, en ik heb voldoende linkse lezerscolumns over Syrische jongetjes met “Sorry for Bruxelles” bordjes (die ze zelf niet geschreven hebben) doorgelezen dat ik er godverdomme wel klaar mee ben. “Wat zou ik hem graag een knuffel geven en niet objectief nadenken over de vluchtelingencrisis omdat ik bevooroordeeld ben en te veel empathie heb!” Nee, doe mij maar verhalen die net niet ergens heen gaan. Doe mij maar wild brullen in het oor van iemand die naast me zit en denkt: zo, kan het ook anders?

Als je niet van konijnen houdt, kun je wat mij betreft de biezen pakken. Rechtstreeks naar Auschwitz-Birkenau. Wat moet je daar? Ik bedoel, ‘t is nu een museum. Genoeg over konijnen, terug naar mezelf. Ik hou ontzettend veel van konijnen, en als je daar anders over denkt mag je vergast worden, waarna je karkas opengereten wordt door de elementen en misschien een vosje. Waar ik de laatste tijd vooral over nadenk is mijn toekomstige schrijfcarrière. Ik zeg toekomstige omdat ik heden ten dage niet echt zin heb om succesvol te zijn. En wanneer ik iets wil schrijven, wil ik niet volledig onzin schrijven, zoals eerst mijn ambitieuze plan was. Ik wil mensen die hetzelfde doormaken als ik helpen en een beetje laten zien dat er hoop is, soms. Daarna lichte kans op buien.

Ik kan geen inktzwarte roman schrijven, want dan pleegt iedereen zelfmoord. Leg dat maar eens uit aan je ouders. Het moet eindigen met een kwinkslag, zo van: toen ik voor Jezus Christus van Nazareth Onze Lieve Heer 050 De Geakste koos, begon ik écht met ophouden. Er wordt tevens zo weinig over mentale ziektes zoals depressie geleerd op de middelbare school – dat vind ik onironisch zorgwekkend. Worden er anderszijds te makkelijk diagnoses gesteld tegenwoordig? Ik ben geen journalist feutje dus fuck off. Ik wil mensen die een beetje strubbelingen hebben en de hele dag hun existentiële foltering verhelen met memes en zelfmedicatie laten inzien dat er meer is dan dat. Zoals snelschaken.

Genoeg gelachen, ik heb al zo veel slaaptekort dat ik niet meer weet wat ik opgeschreven heb. Maar het stáát er wel! Doeltreffend, maar technisch gezien betekenisloos. Ik ben de schrijver die z’n zin kwijt is, en eigenlijk met grote omwegen wil zeggen dat hij van jullie houdt. Behalve van de Joden. Tijd om te doen waar ik voor ter aarde ben gekomen: met nodeloos grote woorden het lullige beschrijven, de burgerlijke mensen bespotten en de mensheid wat bijleren over literatuur, films, pronte tieten, iets minder pronte tieten, Donald Trump, nihilisme en van die mooie kleibeeldjes voor op je schouw. Het hangt allemaal weer van mij af. En terecht.

 

 

 

 

 

 

In ‘t lauwwarme braaksel van jouw ogen

Ik zat in m’n loft te vieren wie ik vroeger was. Het ging gepaard met taart, als je rode wijn als taart rekent, en “vieren” betekent dat je naakt en hysterisch zingend voor de oven wacht op smegmatisch druppelende pizza. Ik had al een hoop bereikt. Zo had ik ‘n keer bijna een schrijfwedstrijd gewonnen, en de stief-tante van een uitgever zag me die bijna winnen door een verrekijker. Ontegenzeggenlijk zouden alle awards binnenkort in m’n drankkastje staan. Weldra zouden alle vrouwen mijn naam krijsen, zorgvuldig hun vagijn stimulerend met, bijvoorbeeld, een pastinaak. Je moet het maar doen.

Ik was gestopt met roken, dus stak ik een sigaret op. Het had emotioneel niets met roken te maken. Het was puur voor de nicotine, dus ik vond dat het kon. Lichtschakeringen ontstonden in de rook, en ik dacht, dat moet in een boek. Van dat soort woorden wordt de gegoede burgerij hartstikke drentel. Ik dacht aan mijn roman, Literatuur Is Voor Inferieure Zwakzinnigen, waar ik onlangs de eerste letters in had gehengst. ‘t Verhaalde over een zeventienjarig burgerlijk meisje van rijke komaf, Esmée genaamd. Haar hobby’s bestonden uit gezellige film-avondjes houden met de meiden, de voor-en-nadelen van hair conditioner uitpraten, papa vragen om geld, blokken voor tentamens en cricket spelen in de duinen met haar getinte vriendje die stiekem homo was.

Met zo’n achtergrondverhaal kun je mij eigenlijk al wegdragen. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar het boeit me ook geen reet hoe het met jullie zit. Esmée was een meisje dat er van de buitenkant af uit zag als een pril snoesje met pronte tetjes en zéér weinig inhoud, maar als je mijn romans kunt vertrouwen, zit er altijd een duistere edge achter. Ze had namelijk een donker verleden. Letterlijk, want ze was blind ter aarde gekomen. Nu kun je zeggen, zijn we allemaal niet blind ter aarde gekomen, Orsin Beornson? Nee, ik heb het opgezocht, dat zijn dus katten.

Esmée van der Meere kon op haar zesde al zonder blindegeleidenhond de straat op. Dat deed ze dan ook vaak, want haar ouders lagen vaak ladderzat elkaar vol te pompen met bitter mensenstremsel, je kent ‘t wel. Op die manier kwam ze in de Drentse heide bij een oud kerkje uit. De verf bladderde waarschijnlijk ergens van af, weet ik veel, moet dat allemaal beschreven worden? Het was een oud kerkje, dan zie je toch godverdomme wel een oud kerkje voor je? Ik word soms zo moe van jullie gezeik. Ik bedoel, wie is nou de auteur bekend van DERTIEN klassieke romans, twee novelles en een fucking theater-scenario? Ga dan lekker naast je huis in ‘n gat in de grond schijten ofzo, ontaarde proleet.

[DE SCHRIJVER NEEMT EEN ROOKPAUZE]

Esmée was objectievelijk gezien een elitaire kut-hoer, doch daar kom ik later op terug. Nooit teveel prijs geven in je verhaal, zeg ik altijd. Ik kan het weten, ik heb dertien klassieke romans geschreven. Esmée droeg een leuk rokje met een patroontje van visjes erop, helemaal classy en casual. Ze kwam bij een wensput aan, waar ze drie nachten verbleef. In die tijd waren er geen smartphones of gameboys, dus ze dronk vooral water en speelde met haar foef. Volgens mijn moeder kun je praktisch op water leven, soms wat yoghurt. Zo heeft ze me opgevoed, vind ik respectabel. Opeens kon Esmée weer zien blijkbaar. Er verscheen geen engel of heilige boodschapper aan haar, maar had zomaar gekund eigenlijk. l’ Esprit d’Escalier, noemen ze dat. Niet dat jullie dat kunnen bevatten, mijn hersendode rolmopsjes.

Met haar nieuwe zicht zag ze tevens de absolute intelligentie van iedereen. Plottwist, dit is de plottwist. Ik vind het soms bijna te spannend, en dat mag ook. Ik heb een keer geweend voordat ik de eerste letter schreef van een zin. De tranen maakten de sporen waar ik later de pen in de inkt mengde. Dat heet symboliek. Esmée groeide toen op, werd volwassen, en had zich al meerdere malen door haar vriendje Eduardo in haar verzilte poes laten dzjoeken. Hij moest altijd huilen tijdens en na, maar dat was volgens hem gewoon normaal, vertrouwde hij haar toe terwijl ze elkaars nagels lakten.

Esmée had het idee dat ze iets miste in haar leven. Ze zag de ultieme intelligentie van ieder mens, en haar cavia Bob bleek veel slimmer te zijn dan haar vriendje. Onbewust ging ze op zoek naar een man die haar op alle vlakken kon raken. Spiritueel, emotioneel, seksueel. De vraag bleef eeuwig in haar vagina stomen: hoe ziet zo iemand d’r uit? Wat beweegt hem? Heeft hij een esthetisch aanvaardbare pielemuis? En wie is in Gódsnaam de huidige koning van Spanje? Jaren gingen voorbij. Eduardo verliet haar uiteindelijk, op een roze paard wegrennend, in háár favoriete jeggings van de Zara. Het leek soms alsof God haar haatte.

Ik zat in mijn loft een sigaretje te roken. Ik was gematigd met drinken, dus dronk ik in plaats van twee glazen wijn drie extra grote kannen, omdat ik vind dat je soms jezelf wat moet gunnen. Dat toont karakter. Een beetje rebellie heeft nooit iemand kwaad gedaan. Kijk naar Joseph Stalin. Nee serieus, kijk naar hem, hij had vroeger best een goed kapsel. Maar hoe leg je dat uit aan de barbier? In ander nieuws, ik kwam in een rubriekje in de krant een berichtje tegen van onze ordinaire Esmée. Ze was op zoek naar een medium. Ten eerste dacht ik: waarom lees ik de krant anno 2016? Probeer ik indruk te maken op m’n vrienden? Ten tweede dacht ik: het kan niet anders of ik moet me voordoen als medium, inclusief kristallen bol, tarotkaarten en misschien wel een openhangende toga. Het was romantechnisch alleen maar de meest logische stap.

[DE SCHRIJVER NEEMT EEN DRANKPAUZE]

 

 

 

 

 

 

 

Vermomde angst

Soms jeuk ik aan m’n neus en voelt ‘t alsof het zin heeft. In mij geen star spook, dat maar niet mengen wil met de geesten op ‘t jaarlijkse fantomenfeestje. Ik ben er. Overweldigend helaas zijn dan ook de dagen die me week maken. Een weekdiertje op sterk water, of in een te klein aquarium? In ieder geval, eerst voelde ik niets, nu voel ik te veel, en voelen is godverdomd eng geworden fam. Ik verheel mezelf voor wat ik wegdrukte, en soms komt alles naar boven, als een hete, doelgerichte stroom gal. Maar esthetisch aanvaardbaar gal, dat is ‘t wel weer.

Anti-depressiva doen dat blijkbaar. Dan opeens zie je hoe weinig je eigenlijk open stond voor de wereld, hoe zangerig New Age dat ook mag klinken. Binnenkort sta ik in het zand quasi-tantrisch te mastur-mediteren met Hare Krishna sloeries en van die helende edelstenen op m’ n buik. ‘t Is wat beter dan beschonken 24/7 internet te bestuderen, series te her-kijken en ontwaken na het noen-uur. Ik ben geïnteresseerd in mensen, en ‘t kost me geen moeite. Ik noem dat persoonlijke groei. Ongelukkigerwijs zijn de extremen groot, en kan ik me in de Donkertes niet herinneren dat ik me ooit goed voelde, dat ik ooit iets voelde. Daarom is het bijhouden van wat ik meemaak essentieel, en ook leuk voor later om jezelf teut over kapot te schamen haha.

Ik kan eerlijker zijn tegenover mezelf. Merk dat ik ideeën kan vormen. De drempel om dingen te doen wordt minder, en zoals ik normaal de elementen van de aarde vervloekte op de fiets, fiets ik nu gewoon, en de wind kan longkanker krijgen. Desalniettemin blijf ik vrezen dat ik terugval, gezien ik een neiging heb tot zelf-sabotage zodra er dingen beslist moeten worden. Op dat soort momenten zijn mijn Donkertes het grootst.

Gedachten zijn gewoon gedachten voor de persoon die zich er niet door laat kenmerken.

Sommige afgunst die ik voelde voor sommige zaken en mensen bleek enkel vermomde angst, ongegrond – en werd vervangen door begrip. Haat is niets. Een achterhaald concept waaraan de ellendelingen zich vastklampen, en alles naar beneden ramt, per direct rock bottom in. In de miserie van hopen en cynisch zijn stel ik een nieuwe stijl voor: Malheureux-chic. Het is een soort dadaïsme, maar dan cooler. We maken kunst gebaseerd op zwartgalligheid met een komisch randje, zo van hé, moet ‘t nou zo. Ik kom hier later wel op terug.

Omstanders merken dat ik veranderd ben, en zij hebben voorlopig een voorsprong op dat wat me beweegt. Een avant-gardist in eeuwig achterlopen ben ik slechts. Misschien tijd om met het tij mee te keren. Misschien minder drinken, soms.

Ik merkte dat ik me afsloot in m’n condo, en als ik mensen opzocht, eigenlijk daar nog was. Ik dronk in m’n eentje, met anderen. Vorig jaar had ik anderhalve opleiding afgerond kunnen hebben. Soms hoop ik dat ik terminaal ben, dan heeft de nutteloosheid tenminste zin. Het breekt m’n hart te zien hoe anderen lijden onder mijn status quo. En ik durf niet vast te houden aan de hoop dat nu alles in één keer goed komt. Doch als ‘t nu tegen zit, dan kan dat, voor mijn part. Ik voel me absoluut verschrikkelijk en ongelofelijk goed. Maar dat ik voel, is goed genoeg.