In ‘t lauwwarme braaksel van jouw ogen

Ik zat in m’n loft te vieren wie ik vroeger was. Het ging gepaard met taart, als je rode wijn als taart rekent, en “vieren” betekent dat je naakt en hysterisch zingend voor de oven wacht op smegmatisch druppelende pizza. Ik had al een hoop bereikt. Zo had ik ‘n keer bijna een schrijfwedstrijd gewonnen, en de stief-tante van een uitgever zag me die bijna winnen door een verrekijker. Ontegenzeggenlijk zouden alle awards binnenkort in m’n drankkastje staan. Weldra zouden alle vrouwen mijn naam krijsen, zorgvuldig hun vagijn stimulerend met, bijvoorbeeld, een pastinaak. Je moet het maar doen.

Ik was gestopt met roken, dus stak ik een sigaret op. Het had emotioneel niets met roken te maken. Het was puur voor de nicotine, dus ik vond dat het kon. Lichtschakeringen ontstonden in de rook, en ik dacht, dat moet in een boek. Van dat soort woorden wordt de gegoede burgerij hartstikke drentel. Ik dacht aan mijn roman, Literatuur Is Voor Inferieure Zwakzinnigen, waar ik onlangs de eerste letters in had gehengst. ‘t Verhaalde over een zeventienjarig burgerlijk meisje van rijke komaf, Esmée genaamd. Haar hobby’s bestonden uit gezellige film-avondjes houden met de meiden, de voor-en-nadelen van hair conditioner uitpraten, papa vragen om geld, blokken voor tentamens en cricket spelen in de duinen met haar getinte vriendje die stiekem homo was.

Met zo’n achtergrondverhaal kun je mij eigenlijk al wegdragen. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar het boeit me ook geen reet hoe het met jullie zit. Esmée was een meisje dat er van de buitenkant af uit zag als een pril snoesje met pronte tetjes en zéér weinig inhoud, maar als je mijn romans kunt vertrouwen, zit er altijd een duistere edge achter. Ze had namelijk een donker verleden. Letterlijk, want ze was blind ter aarde gekomen. Nu kun je zeggen, zijn we allemaal niet blind ter aarde gekomen, Orsin Beornson? Nee, ik heb het opgezocht, dat zijn dus katten.

Esmée van der Meere kon op haar zesde al zonder blindegeleidenhond de straat op. Dat deed ze dan ook vaak, want haar ouders lagen vaak ladderzat elkaar vol te pompen met bitter mensenstremsel, je kent ‘t wel. Op die manier kwam ze in de Drentse heide bij een oud kerkje uit. De verf bladderde waarschijnlijk ergens van af, weet ik veel, moet dat allemaal beschreven worden? Het was een oud kerkje, dan zie je toch godverdomme wel een oud kerkje voor je? Ik word soms zo moe van jullie gezeik. Ik bedoel, wie is nou de auteur bekend van DERTIEN klassieke romans, twee novelles en een fucking theater-scenario? Ga dan lekker naast je huis in ‘n gat in de grond schijten ofzo, ontaarde proleet.

[DE SCHRIJVER NEEMT EEN ROOKPAUZE]

Esmée was objectievelijk gezien een elitaire kut-hoer, doch daar kom ik later op terug. Nooit teveel prijs geven in je verhaal, zeg ik altijd. Ik kan het weten, ik heb dertien klassieke romans geschreven. Esmée droeg een leuk rokje met een patroontje van visjes erop, helemaal classy en casual. Ze kwam bij een wensput aan, waar ze drie nachten verbleef. In die tijd waren er geen smartphones of gameboys, dus ze dronk vooral water en speelde met haar foef. Volgens mijn moeder kun je praktisch op water leven, soms wat yoghurt. Zo heeft ze me opgevoed, vind ik respectabel. Opeens kon Esmée weer zien blijkbaar. Er verscheen geen engel of heilige boodschapper aan haar, maar had zomaar gekund eigenlijk. l’ Esprit d’Escalier, noemen ze dat. Niet dat jullie dat kunnen bevatten, mijn hersendode rolmopsjes.

Met haar nieuwe zicht zag ze tevens de absolute intelligentie van iedereen. Plottwist, dit is de plottwist. Ik vind het soms bijna te spannend, en dat mag ook. Ik heb een keer geweend voordat ik de eerste letter schreef van een zin. De tranen maakten de sporen waar ik later de pen in de inkt mengde. Dat heet symboliek. Esmée groeide toen op, werd volwassen, en had zich al meerdere malen door haar vriendje Eduardo in haar verzilte poes laten dzjoeken. Hij moest altijd huilen tijdens en na, maar dat was volgens hem gewoon normaal, vertrouwde hij haar toe terwijl ze elkaars nagels lakten.

Esmée had het idee dat ze iets miste in haar leven. Ze zag de ultieme intelligentie van ieder mens, en haar cavia Bob bleek veel slimmer te zijn dan haar vriendje. Onbewust ging ze op zoek naar een man die haar op alle vlakken kon raken. Spiritueel, emotioneel, seksueel. De vraag bleef eeuwig in haar vagina stomen: hoe ziet zo iemand d’r uit? Wat beweegt hem? Heeft hij een esthetisch aanvaardbare pielemuis? En wie is in Gódsnaam de huidige koning van Spanje? Jaren gingen voorbij. Eduardo verliet haar uiteindelijk, op een roze paard wegrennend, in háár favoriete jeggings van de Zara. Het leek soms alsof God haar haatte.

Ik zat in mijn loft een sigaretje te roken. Ik was gematigd met drinken, dus dronk ik in plaats van twee glazen wijn drie extra grote kannen, omdat ik vind dat je soms jezelf wat moet gunnen. Dat toont karakter. Een beetje rebellie heeft nooit iemand kwaad gedaan. Kijk naar Joseph Stalin. Nee serieus, kijk naar hem, hij had vroeger best een goed kapsel. Maar hoe leg je dat uit aan de barbier? In ander nieuws, ik kwam in een rubriekje in de krant een berichtje tegen van onze ordinaire Esmée. Ze was op zoek naar een medium. Ten eerste dacht ik: waarom lees ik de krant anno 2016? Probeer ik indruk te maken op m’n vrienden? Ten tweede dacht ik: het kan niet anders of ik moet me voordoen als medium, inclusief kristallen bol, tarotkaarten en misschien wel een openhangende toga. Het was romantechnisch alleen maar de meest logische stap.

[DE SCHRIJVER NEEMT EEN DRANKPAUZE]

 

 

 

 

 

 

 

Advertisements

Vermomde angst

Soms jeuk ik aan m’n neus en voelt ‘t alsof het zin heeft. In mij geen star spook, dat maar niet mengen wil met de geesten op ‘t jaarlijkse fantomenfeestje. Ik ben er. Overweldigend helaas zijn dan ook de dagen die me week maken. Een weekdiertje op sterk water, of in een te klein aquarium? In ieder geval, eerst voelde ik niets, nu voel ik te veel, en voelen is godverdomd eng geworden fam. Ik verheel mezelf voor wat ik wegdrukte, en soms komt alles naar boven, als een hete, doelgerichte stroom gal. Maar esthetisch aanvaardbaar gal, dat is ‘t wel weer.

Anti-depressiva doen dat blijkbaar. Dan opeens zie je hoe weinig je eigenlijk open stond voor de wereld, hoe zangerig New Age dat ook mag klinken. Binnenkort sta ik in het zand quasi-tantrisch te mastur-mediteren met Hare Krishna sloeries en van die helende edelstenen op m’ n buik. ‘t Is wat beter dan beschonken 24/7 internet te bestuderen, series te her-kijken en ontwaken na het noen-uur. Ik ben geïnteresseerd in mensen, en ‘t kost me geen moeite. Ik noem dat persoonlijke groei. Ongelukkigerwijs zijn de extremen groot, en kan ik me in de Donkertes niet herinneren dat ik me ooit goed voelde, dat ik ooit iets voelde. Daarom is het bijhouden van wat ik meemaak essentieel, en ook leuk voor later om jezelf teut over kapot te schamen haha.

Ik kan eerlijker zijn tegenover mezelf. Merk dat ik ideeën kan vormen. De drempel om dingen te doen wordt minder, en zoals ik normaal de elementen van de aarde vervloekte op de fiets, fiets ik nu gewoon, en de wind kan longkanker krijgen. Desalniettemin blijf ik vrezen dat ik terugval, gezien ik een neiging heb tot zelf-sabotage zodra er dingen beslist moeten worden. Op dat soort momenten zijn mijn Donkertes het grootst.

Gedachten zijn gewoon gedachten voor de persoon die zich er niet door laat kenmerken.

Sommige afgunst die ik voelde voor sommige zaken en mensen bleek enkel vermomde angst, ongegrond – en werd vervangen door begrip. Haat is niets. Een achterhaald concept waaraan de ellendelingen zich vastklampen, en alles naar beneden ramt, per direct rock bottom in. In de miserie van hopen en cynisch zijn stel ik een nieuwe stijl voor: Malheureux-chic. Het is een soort dadaïsme, maar dan cooler. We maken kunst gebaseerd op zwartgalligheid met een komisch randje, zo van hé, moet ‘t nou zo. Ik kom hier later wel op terug.

Omstanders merken dat ik veranderd ben, en zij hebben voorlopig een voorsprong op dat wat me beweegt. Een avant-gardist in eeuwig achterlopen ben ik slechts. Misschien tijd om met het tij mee te keren. Misschien minder drinken, soms.

Ik merkte dat ik me afsloot in m’n condo, en als ik mensen opzocht, eigenlijk daar nog was. Ik dronk in m’n eentje, met anderen. Vorig jaar had ik anderhalve opleiding afgerond kunnen hebben. Soms hoop ik dat ik terminaal ben, dan heeft de nutteloosheid tenminste zin. Het breekt m’n hart te zien hoe anderen lijden onder mijn status quo. En ik durf niet vast te houden aan de hoop dat nu alles in één keer goed komt. Doch als ‘t nu tegen zit, dan kan dat, voor mijn part. Ik voel me absoluut verschrikkelijk en ongelofelijk goed. Maar dat ik voel, is goed genoeg.

 

 

November is de donderdag van het jaar

Probeer vooral rust te vinden in de grootheid van alles, en geluk vinden in de Kleine Kutdingen zoals hoi zeggen tegen de groenteboer en dat-ie dan zo half terug knikt van ja leuk hoor. Ze zeggen dat ‘t helpt. Het is belangrijk om Kleine Kutdingen te doen waar je je mee bezig houdt, anders denk je te veel na over hoe de zon er uitziet zeven biljoen jaar van nu,  en de levensloop van de glasaal. Het vertroebelt je denken en is nergens noodzakelijk.

Als kind dacht ik na over Grote Klotedingen.
Ik zeg ‘t niet op een manier zo van “O wat was ik een unieke sneeuwvlok van een kind vroeger, de verloren gewaande oester van de parel in God’s hand”, maar aan de andere andere kant,  waarom zou ik anders hierover beginnen? Waar was ik. O ja, ik was geïnteresseerd in dingen zoals de prehistorie, het heelal en de altijd imminente dood. Ik denk dat ik acht was toen ik in bed panikeerde over hoe moet ik ooit een hypotheek regelen en een huis bouwen en hoe krijg ik een baan als ik niet binnen de lijntjes kan kleuren, al dat soort dingen. Gelukkigerwijs bleek dat dat pas over duizend jaar zou gebeuren en ik dan compleet klaar was voor de Grote Wereld, want dan ben je Volwassen en kun je opeens Dingen.

10 jaar later vind ik mezelf terug in een poel mysterieus vocht op zondagochtend. In de deemstering gloeien de lampjes van de laptop, in morse-code lachend naar mijn zelfgebouwde gevangenis van ondermaats presteren. Ergens in het slijk van m’n brein pruttelt de innerlijke monoloog. Ik denk na over dingen als “Wist je dat Tinder zo heet omdat “tinder” de kleine stokjes zijn die je  gebruikt om een vuur op te stoken voor je het aanwakkert?  Tinder plus matches – ofwel tinder is een matchmaker? Jij bent het sprokkelhout, ik ben de lucifers. Ik ben de vonk die het vuur in je tondeldoos aanwakkert.”

Mijn gedachten dwalen af, soms. Ik las vijf jaar geleden dat katten het niet leuk vinden als je naar ze staart, dus wend ik altijd eerst mijn blik af als ik er één tegen kom. Dan weten ze dat je ze niet als een prooi ziet. Ik heb niet gekeken of het klopt dus als uiteindelijk blijkt dat het bullshit is,  zullen een hoop katten me een onbetrouwbare walnoot vinden, en zal ik een hoop tijd verkwist hebben in hypothetische katten-etiquette. Aan de andere kant, als je op het punt bent in  je leven dat je geeft om je reputatie bij de katachtigen kun je maar beter helemaal naar huis gaan.

Wat mijn punt was, is dat je nooit geheel voorbereid kan zijn op wat het leven je biedt. Het leven duurt lang. De jeugd duurt kort, en koester dat, zei mijn beppe altijd, minzaam over haar rimpels en kinnen wrijvend. Ik vroeg me dan vervolgens af wat mijn beppe in mijn huis deed, pratend over de vluchtigheid van de jeugd. Doet er niet toe. December is hier, doet voorzichtig haar winterjas aan. Met de kou komen de gedachten van voorgaande winters, die me als een deken omvatten, donzig. Ik kijk uit naar kerstmarkten en stomende boerenkool-met-jus, naar lampjesschepen in de gracht en de specifieke scherpheid die de lucht wasemt.

Wat je moet weten is dat je nooit terug moet kijken, daar is niks. Altijd Nordic-walkingsgewijs doorstappen, al is het door tot Slush-Puppy sneeuw of lentedauwgras. Je bent er maar even, als lichaam dat ervaringen opslaat en dan weer opgenomen wordt in de aarde. Vergeef jezelf eens voor de kleine fouten die je mens maken, jij uiterst sneue dennenappel. Het zal niet altijd even makkelijk zijn, of even hoopvol, maar dat het er is, is al goed, en dat het vooruitgaat, is nog beter. En dat kan alleen als je ‘t elke dag doet, door sneeuw ploegt zonder denken, en aanvaardt dat jij misschien ook een beetje mee-verandert.

 

 

 

Hikikomori

Charlie voelt ‘t bloed kloppen in de toppen van zijn vingers. Een zweetluchtnevel beweegt zich ongezien door de kleedruimte. Daar, achter de deuren, piept afdank-Adidas gedempt op gymzaalvloer, dreunen trefballen op slachtoffers, snerpen fluitjes, razen leerlingen als oorlogshonden, wild geworden. De figuur tuurt minutenlang naar de spiegel van de douche. In de condens is hij onzichtbaar, bijna.

Hij denkt aan ‘n meisje dat tijdens de pauze een vluchtige kus geeft op z’n wang en wegloopt. Hij herinnert zich het gevoel: alsof dit het moment is waarop blijkt dat hij er mag zijn. Ze deed het! Ze deed het! wordt er schimpend gelachen, als ze terug-danst naar de klas. Triomfantelijk komen ze uitleggen dat ze bij truth or dare de lelijkste jongen in de klas moest zoenen. Ze deed het, ze deed het. De zoen schrijnt gloeiend op z’n wang als een hatelijk brandmerk.

Hij denkt aan alleen zitten in een kantine, groot als een kathedraal, en zes kinderen die eten naar hem gooien. “Kijk hoe verdrietig hij is!” lachen ze. Hij denkt aan de zoveelste onvoldoende krijgen en z’n gelovige lerares die voor de hele klas stelt: “Mensen zoals jij werden door God op de aarde gezet om te tonen hoe je niet  moet zijn.” Hij denkt aan een jongen die op een feestje die avond op hem af komt, hem vertelt: “Ik wil niet lullig doen, maar mensen zoals jij zijn eigenlijk niet bedoeld voor deze wereld. Niemand wil jou hier, maar ze durven het niet te zeggen. Je maakt iedereen ongemakkelijk.” Hij denkt vaak aan de dood, daarna. Er ontsteekt een kleine storm in hem.

Hij denkt aan een roedel meisjes die zijn naam aanhaalt. “Ik zou geen meisje met Charlie kunnen zien…” “Sst, daar is hij!” “Praat niet over meisjes bij hem, hij is zo puur en onschuldig!” En hij blikt terug op tot pulp geslagen worden door de jongens in modder, en dat zijn moeder hem daarvoor huisarrest geeft.”Slik je tranen in, flikker,” zou zijn moeder sissen, dronken. En hij die ‘s avonds luistert naar tirades achter muren, tussen haar en zijn vader, dat ze hem ‘t kwalijk namen dat hij het ongeluk overleefd had, niet zijn broertje.

Hij denkt aan z’n vader. Chronische pijn weet hij, oneindige rijen potjes met pillen. Gesprekken die verdampen in de afzuigkap. Witte knokkels onder keukentafels en wachten tot de woorden minder wegen. Hij denkt aan gebottelde haat en hoe zijn vaders vader hém opvoedde met perpetueel woedend zijn. Hij denkt aan deuren die slaan alsof ze voorgoed dicht zijn, beschonken bekentenissen over revolvers in nachtkastjes, aan verwijten vuren op hem, voortdurend, als kogels.

Hij was acht toen z’n vader dronken vergat dat ‘t stuur bestond, en ze zich terugvonden in donkerzwart diep, longen vol water. Hij was acht toen zijn vader daar z’n ruggengraat brak en er meer dan dat in hem knapte. Drie mensen dreven stikkend in zinkend metaal, en twee kwamen boven, als tegenstanders. Alcohol verdoofde zijn vaders eerste dag van een leven aan pijn, maar de woede was al vertoornd als een ziektekiem en losgelaten.

Hij denkt aan thuiskomen in een donker huis. Half verborgen in het lamplicht zit pa als altijd op z’n stoel, vastgekoekt. De afstandsbediening ligt buiten bereik. Dit keer heeft hij z’n hand geklemd om de revolver in z’n mond. De laatste pijnstiller, noemde hij zijn kogels, bijna liefkozend. Charlie staat een minuut lang versteend te luisteren naar het getik van staal tegen kiesvullingen. Beide generaties verlamd in hun keuzes. Uiteindelijk legt z’n vader het weg, en hij kijkt op naar zijn zoon, duidelijk teleurgesteld in zichzelf. De storm sjort aan het huis alsof het wakker moet worden.

Het gymzaallawaai overstemt zijn herinneringen en hij tuurt opnieuw naar de spiegel, waar hij nu volledig in de condens verdwenen is. Hij denkt: Is dat wat leven is? Andere gangen nemen om geen paden te hoeven kruisen met iemand, omdat ze over je na kunnen denken? Toeschouwer zijn van je leven tot je na 75 jaar vernedering het loodje legt, dood geboren? Jezelf verbergen in verzegelde kamers, zo ongelooflijk veilig voor ooit groeien als mens, is dat wat leven is? Of is het  je leven in eigen handen nemen, en een man zijn, zoals je moeder zei? De laatste pijnstiller toedienen, zoals je geleerd is? Eenmaal een loser altijd een loser. Laten we zien wat er gebeurt als je fuckt met de verkeerde. Ze verdienen pijn, zoals jij.

Vier huismoeders stoppen voor een schoolplein om bij te praten. “Heb je gehoord van die jongen op het nieuws?” “Ik had er over gelezen ja, volgens mij was ‘t een sociopaat, moet haast wel.” “Ik hoorde iets dat hij schizofreen was, of nee, bipolair en manisch depressief. Hoor je vaak over.” “O, maar hij was gewoon gek.” “Precies, zaak gesloten toch. En gelukkig maar dat het hier niet gebeurd is, God nee. Hoe gestoord moet je zijn om tot zoiets te komen?” “Gestoord, ja.” De vrouwen knikken instemmend, stappen respectievelijk in hun eigen auto’s, en rijden naar geestelijk gezonde gezinnen, gezinnen waar mannen niet huilen en vrolijk zijn vereist is, gezinnen waar gevoelens netjes weggestopt worden naast kogels, in nachtkastjes als kleine grafkistjes, gezinnen waar dit nooit zou kunnen gebeuren, nooit.

The Boy Who Didn’t

Because it was Halloween, the theme is death. I’m only joking. Because it’s me, the theme is death. After all, I was born around Halloween, and death will fuck us all.

I’m pretending to follow my an imaginary class at the moment since my life is lacking in learning. For now I’ll apply at the School of Feigned Indifference. We offer a wide arrangement of shrugging classes, followed by an intensive panic attack seminar around noon. I reckon I’d be a half-decent teacher in Miscommunication class myself, except the students would probably all think I’m teaching them physical education. Eventually, when the crisp leafs of autism fall, we will blog essay-long interviews with ourself for our offbeat English class; proclaiming we’re unique snowflakes and need to be acknowledged, whilst moaning in agony. “This room is too exhausting, this sweater is too constricting, and our curriculum is a contradiction to every worthy aspect of life.”

Our dorm is looking for a roommate, please apply below. We’d like it if he sits on his ass all day, paralyzed by any basic human responsibility. Door preferably always closed – and if it’s possible, it sounds like there’s no one home at all. A personality like a silent, locked room, if you will, like a person holding his breath forever just so people don’t notice his shadow. Averts gaze to some place in his mind where it’s probably 15 years ago and high summer. Will get demotivated by people believing in him, because he feels like it’s too late, and they just don’t see it yet. Sees friendships as idle timebombs, ticking to zero. Will push away people trying to connect, to avoid responsibility of maintaining friendships, and will reject any help since he’s busy burning bridges. Will avoid going for errands to not have to interact with us. Will look frozen in time like a 2000 year old statue, still the kid he was at 10 years old, frightenend at the fast moving intensity of life, while all the social seasons change to winter.

My mood is like the weather, my overall outlook on life is like the climate. You can see unpredictable an erratic changes in the weather with a hurricane here and there, but if you follow it by the years you can see an overall pattern. There are holes in my atmosphere and the seas are warming up slowly but surely. Something’s brooding. You can predict the climate of the next 60-80 years from there, and it’s not about preventing damage anymore, it’s coping with what we still have. But yeah, I’m sure getting a job or a hobby will solve that, just like Jobs and Hobbies are going to make world peace and like Jobs and Hobbies aren’t just something that we do while the Gotterdammerung looms. Do you know what’s undisputably the greatest lie ever told in climate change? “It gets better.”

My brain is a piece of shit. Great people built piramids and grand castles thousands of years ago, conquered unknown lands, hunted for their survival, their bodies full of adrenaline – one with nature. And me? I build temples of leftovers and shrines of plastic, see the bathroom floor as conquering unchartered terrain, and will hunt pizza online with a virtual spear, tired by existing alone. I’m so very fucking tired.

“Writing should’nt be thinking aloud and agreeing with yourself.”
So true, I chuckled. “But when is this post going to be funny?” the reader murmured, visibly uncomfortable. No answer. 

Infected humans can be subject to some equally weird symptoms, which Kathleen Mcauliffe described in her extensive coverage for The Atlantic. Groundbreaking research showed that infected men tend to be more suspicious, withdrawn, and prone to breaking rules, while infected women are more trusting, outgoing, and law-abiding.

That’s taken from this this article about Toxoplasmosis, a bacteria transferred by cats, making people withdrawn, so they stay at home to care for their cat, and in that way, sustain the bacteria’s lifespan. Those goddamn cats have been enslaving us since Egyptian cat-worshipping was a trend. It reminded me of a fungi that takes control of an ants brain and makes it kill itself, allowing to grow out of his head like a morbid flower. In a very stripped down way, mental health concerns like depression is like that, except there’s nothing that grows out of it. So what I’m saying is, let’s pretend my metaphor works.

It’s like those people who can’t but help to punch themselves in the face. Asking why they do it solves nothing. I have to go against the fabric of “logic” every day doing stupid shit that doesn’t make sense, and somewhere along the lines, I hope to see that my worries turn out to be nothing more but a natural reflex, an instinct glitch, or an evil Egyptian cat’s bacteria puppeteering my mind.

I assume this concludes our first semester on the school of Feigned Indifference. I’m your headmaster: who the fuck cares. Lets get back to our Jobs and Hobbies, am I right? I mean, I can’t even hear myself crying over the sound of other people bonding, but at least I have a Job so I fit in this society as a Happy and Fulfilled person! Put your underachievement trophies next to your worn out smiles. Pack your bags under your eyes. The fraternities of Indifference Campus are going rogue in my absence, and will actually start mowing the lawn. Let’s be a little less like them.

Signed dearly,

The Lost Caustronauts

(That sounded cooler in my head)

Sorry Myserlou

Ik schrijf dit in een turquoise dinosauruspak. Ankylosaurus, om precies te zijn. Er is niet veel tijd meer. Morgen is het zeven jaar geleden dat we elkaar even zagen. Weet je nog wat ik zei? We moeten hier weg. Het is nog steeds waar. Je vond me geweldig, en toen leerde je me kennen. Zo gaat het altijd, Myserlou. Iedere relatie is een tikkende tijdbom tot ik onthuld word voor wat ik ben: een turquoise dinosaurus.

Sorry, Myserlou. Het is arrogant om over mezelf te beginnen, maar wat kun je anders? Een brief is geen gesprek, het is stenen naar water gooien en hopen iets op te vangen uit de plonzen. Men zegt dat men achter me staat, men zegt dat ik goed doe, men zegt dat men van me houdt; en in mijn achterhoofd denk ik “ja, maar je hebt ongelijk.” Ik kan alles alleen in logica zien en emoties zijn onleesbaar. Logica vernietigt mijn mensheid. En zelfmedelijden, tja, dat vernietigt alles behalve zichzelf.

Myserlou, volgens de wetenschap zijn iedere 7 jaar alle mensencellen in het lichaam vervangen, behalve de hersencellen, wat je een volledig nieuw mens maakt. Zoals een schip dat op de klippen slaat en wordt herbouwd uit dezelfde planken. Is het dan nog hetzelfde schip? We zijn andere mensen nu – maar dat wilden we toch? Iedereen wil een tweede kans, en dit is ons moment, Myserlou. Maar ik wil niet dat de dokters gemeen tegen je zijn. En je moet je niet verbergen. Soms denk ik aan de toekomst en dan is het heel erg koud.

Ik herinner me nog een paar van je tekeningen. De juf had ze verscheurd en je laten nablijven, omdat je je vader ingekleurd had met rood, niet de normale kleur. Een juf is natuurlijk geen creatief therapeut en kan niet doorgronden wat jou beweegt om zo’n kleur te kiezen. Maar deze juf was een trut. We hebben de tekening opgezocht, aan elkaar geplakt, maar de stukjes van je vader werden nooit meer heel. “We moeten hier weg,” fluisterde ik. En je keek zo bang en trots tegelijkertijd, je bleef maar staren naar je vaders kartelranden. Ik heb hem nooit vergeven.

Ik heb gedacht aan onze blote voeten in het water van fluoriserende algen, Myserlou. Ik heb gedacht aan de zomerstorm, jij aan zee. Ik heb gedacht aan ons als we oud zijn en door hetzelfde raam staren naar een wereld die steeds sneller gaat. Ik heb gedacht aan ons onhandig gevoos op achterbanken en op afgesloten kamers; Onder zich leegschuddende sneeuwwolken op knerpende sneeuw staan, ijskristallen vangen en met kerst naar schaatsers kijken; Hand in hand door zomerregen bij het meer rennen en leren hoe goed het voelt om een iemand te beschermen tegen de wind. Ik heb gedacht aan  aan je vader, hij zei dat hij van je hield, voor het eerst. Ik zag hem een week later. Hij was wit dit keer.

O Myserlou, tijdens eeuwige ritten in de auto, kijk je door het raam terwijl mama rijdt en het is kerstmisavond. Je tuurt door geloken ogen naar tienduizend schitterende lichtjes die van ramen komen en je denkt: ieder lichtje is voor iemand álles; een gezin, een heel leven. Hoe alle mama’s en papa’s van de wereld langs de weg voorbij flitsen in een seconde, schiet de mensheid voorbij op dit bolletje naast de ster. Zo klein dat we eigenlijk nooit hebben bestaan, zijn we lichtjes die aan en uit gaan. Hoe lang het duurt eer het licht de rest bereikt bepalen wij. We worden gescheiden door de tijd en we zijn gevangen in licht. Het lichtje van de richtingaanwijzer dat op de maat tikt.

Ik herinner me dat je dacht: er moet iets gebeuren. Je kan je geen toekomst voorstellen waarin je moeder met enige trots over je praat. “Ik ben mijn vader niet. Ik ben erger. Er moet iets gebeuren. Iets definitiefs.” Myserlou, ik had gewild dat ik er voor je was die dag, ik was ingesneeuwd, bevroren. Het weer keerde zich tegen ons. Ik had gewild dat je niet was gesprongen. Je moeder zegt nog steeds dat ik niet langs mag komen, ze zegt dat ik net als je vader ben. Ik zal niet rood worden. Soms lijkt het alsof de sneeuw nooit smelt. We moeten hier weg.

Facebookschrijvers

Namen zijn vanwege egoïstische redenen gefingeerd voor dit blogbericht. Ik klink net als het Viva maandblad nu. Maak je geen zorgen Mandy (14), je kunt niet zwanger raken van anale seks.

Wat is het in ons dat ons beweegt volslagen ongeïnspireerde stukken stront te zijn? Ik schrijf helemaal niet te weinig, ik publiceer te weinig. Ik ben een kat in een kartonnen doos die wacht tot het warmer wordt in de stad van een nieuwe ijstijd. Metaforen zijn niet m’n sterkste punt, zelfkritiek is m’n sterkste punt. Soms denk ik aan de keer dat ik “jij ook” zei tegen de ober die me smakelijk eten wenste en dan kots ik onder de douche tot de schaamte met het braaksel in het douche-putje verdwijnt.

Een verhaal is, net zoals de meeste relaties, als Stockholm syndroom. Of je het naar je zin hebt of niet, het houdt je gevangen en nadien zul je zeggen “wat een leuke film was dat”, om in je hoofd goed te praten dat je voor 13 euro plus popcorn 2,5 uur in een donkere zaal naar zeer geconcentreerde diarree in 3D hebt gestaard. Ik wil niet overdrijven, maar moderne bioscooptheaters zijn erger dan wanneer 9/11 en hersenkanker een kind zouden baren dat de abortus overleefde. Drie tegen één dat dat kind Johan zou heten. Niemand mag jou, Johan, en je Facebook-statussen zijn niet diepzinnig.

Ik gebruik Facebook alleen nog voor satirisch nieuws en liegen tegen mezelf. Waarom zou ik mezelf moeten blijven overtuigen dat ik mijn werkstatus na mijn ontslag niet gewijzigd heb tot “werkloos”, omdat ik het vergeten ben? Waarom zou ik nog vertoornd naar statussen van mensen staren die een leuke tijd hebben; alsof dat een realistische weergave is van hun bestaan, en een goede meetlat om mijn eigen ervaringen tegen te houden? Ik weet het niet zeker, maar volgens mij ligt de schuld zoals altijd weer bij de Joden.

Een van de ambities die ik nog bezit is gebaseerd op afgunst. Als ik door de Facebookgroep van Beginnende Schrijvers langs clichématige spreekwoorden, zielloze seksscènes en triviale liefdesgedichten scroll, word ik altijd een beetje misselijk. Er zijn maar zoveel ordinaire kutgedichten die je kan lezen die de definitie van een rijmschema onteren. Waarom zou ik hippe huismoeders met van die witte houten “home is where the heart is” letters als thuisdecoratie ‘t geluk gunnen van halfslap aan proza en poëzie beginnen op hun leeftijd? Slecht schrijfwerk is de reden dat ik altijd een cyanide pil bij me heb. Mijn belangrijkste standpunt in ‘t leven is altijd geweest dat meer mensen zelfmoord zouden moeten plegen. Vooral Johan.

Toen besloot ik dat de wrok gebotteld is in het feit dat schrijven ‘t medium is om me te uiten waar ik sinds kind mee bezig ben, en ik voor ieder herhaald bijvoeglijk naamwoord obsessief synoniemen zoek voor ik hem durf te plaatsen. Dit terwijl zij bloedserieus zinnen als “Ik was aan het homeshoppen en opeens keek ik in zijn blauwe, blauwe ogen” uit schijten alsof het een wekelijkse punnik-cursus is, en ze niet met hoongelach beantwoord zouden moeten worden. Stiekem ben ik bang dat schrijven niets meer is dan dat: onbelangrijk. Stiekem ben ik bang dat ik cultureel irrelevant geboren ben, wat ook wel bekend als het ultieme luxeprobleem.

Lief [persoon] die als Facebookstatus een brief schrijft gericht aan [mensen] aan wie ze zich ergerde vandaag, met een onderwerp waar iedereen zich in kan vinden: Je format was op Hyves al niet origineel, is een zelfmasturbationele aandachtspoging om Likes te oogsten, en een slechte manier om je frustratie te uiten; gezien de persoon die jij hier vandaag niet op durfde aan te spreken je hiermee niet bereikt. Echter, als je écht iets had willen veranderen aan je ordinaire probleem met de kaartjesknipper van de NS vandaag, zou je het niet passief agressief posten op deze site, jij burgerlijk stuk stront. Hoogachtend, een hypocriet.

Zijn uiteindelijk mensen die neerkijken op de hashtag-generatie niet onverdragelijker? #GeenIdee. Ga een week met me samen wonen en je ziet wat er gebeurt met je geduld en je kringspier. Ik denk wel dat dit genoeg over het asociale netwerk is. David Fincher maakte er een goede film over. dat is het enige wat belangrijk is; en hij zei “I think people are perverts”. Na het lezen van genoeg basic bitches op Beginnende Schrijvers die trachten Jane Austen of Vijftig Tinten Grijs te kopiëren denk ik: gelijk heb je David. Echter, je weet wat ze zeggen: grootse mensen praten over ideeën, gemiddelde mensen praten over gebeurtenissen en de kleine mensen praten over andere mensen. Mijn repliek: Je verwart me met een persoon die dit een reet interesseert, 1 meter 76 is een prima lengte, en die quote praat godverdomme zelf ook over andere mensen.

Verbrijzel mij

Even kort. Ik kwam laatst op Wikipedia de pagina tegen over unieke sterfgevallen. Daarop terecht komen staat hoog op mijn bucketlist. Uitblinkertjes:

  • 455 v.Chr.: Aeschylus. De befaamde Atheense auteur van tragediën, Valerius Maximus, schreef dat hij gedood was door een schildpad die een arend op zijn hoofd had laten vallen. De arend had z’n hoofd aangezien voor een steen die hij kon gebruiken om het schild van ‘t reptiel te verbrijzelen. Pliny de Oudere, in zijn Naturalis Historiae, voegt toe dat Aeschylus veel buiten verbleef, om aan de voorspelling te ontkomen dat hij gedood zou worden door een vallend object.
  • 1993: Garry Hoy, een 38-jarige advocaat in Toronto, Canada, stierf op 9 juli 1993 nadat hij zich tegen een raam op de 24-ste verdieping van het Toronto-Dominion Centre had gegooid, in een poging om aan een groep bezoekers te bewijzen dat het glas “onbreekbaar” was. Het glas brak niet, maar barstte uit z’n voegen, en Hoy stortte zijn dood tegemoet.
  • 2008: David Phyall, 50, laatste bewoner in een wijk tot sloop veroordeelde flatgebouwen in Bishopstoke, naast Southampton, Hampshire, Engeland, onthoofdde zichzelf met een kettingzaag om het onrecht te markeren dat hij uit zijn huis gedwongen werd.
  • 2013: Takuya Nagaya, 23, uit Japan, gleed rond op de vloer en verkondigde dat hij in een slang veranderd was. Zijn moeder maakte hieruit op dat hij bezeten was door een slang, en vroeg om hulp aan haar man, de 53-jarige Katsumi Nagaya. Katsumi bracht de volgende twee dagen door met het geven van kopstoten en bijten van zijn zoon, in een poging tot het “verdrijven van de slang die hem bezeten had,” echter leidend tot zijn dood.

Wat een dramaqueen is David toch. Ik heb dit zelf vrij vertaald en ik moet zeggen, het is dankbaar werk. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat “dankbaar werk” is wat ons brein ingespoten is door de achterhaalde machineriek van de staat. Je zou het kunnen zeggen. Maar het mag niet. Over twintig jaar zullen alle banen toch vervangen zijn door robots. Hoed je voor de non-conformisten. Schend mij, Belastingsdienst. Onteer mij, minimumloon. Verbrijzel mij, Rijksoverheid; nu het nog kan. In het land der verliezers blijf ik soeverein, maar op de tast in het duister vind ik houvast in jou.

Meanderthals

“Sadly, sadly, the sun rose; it rose upon no sadder sight than the man of good abilities and good emotions,
incapable of their directed exercise, incapable of his own help and his own happiness, sensible of the blight on him,
and resigning himself to let it eat him away.”
–A Tale of Two Cities, Charles Dickens, 1859

….Did I just start a text with a quote? Have I become Tumblr incarnate, or a bad 80’s sci-fi movie? I’m scared.

….When you’re angry, I find it usually means there’s another emotion that you’re hiding with the rage. Anger is the easiest, and it has always been. Just pummel the other slightly drooling ape with a rock until it stops making you feel that emotion, and kind of move on with your life. You’d never have to deal with shit, except maybe the monkey police, but that’s a given. Nowadays there seems to be more room for self-reflection.  Sadly, us lot are looking for instant rewards, chasing gratification through tv-dinners and online shopping. I’m not at all saying these thoughts are unique (hell, I sound like I sell comics and salvia). However, some people seem either comfortably unaware or needlessly defiant. And it’s our task to make cynical remarks about them, while most likely being a hypocrit. As is tradition.

….Social anxiety and anxiety in general could break an individual down completely. There’s this special loneliness that stirs in the dark for years, and it can be kind of hard to grasp. Sometimes feeling alone in a conversation, because you deem yourself slightly misunderstood. Like no one talks your language. Then feel yourself getting emotional at the slightest sign of human kindness; a passenger in a car waves at you, letting you cross the street; or the check-out girl smiles and says ‘have a nice day.’ That forever empty feeling should not be dismissed by looking at your phone screen and pushing it away. Because it’ll come back in sickly green waves and then you’ll be unsure where time has gone, where you actually felt something. It can sneak up on you. Let it, and then think: Affirmative, I definitely feel shitty now. But that’s okay.

…..I’m writing shorter and shorter thoughts and stories when my life seems to be lacking in correlation. May this be known as me hardly trying. May this be known as me maybe blaming 9/11. May this be known as Exhibit A. My life is so bland I have to write in a second language to take some distance of my emotions, whom I otherwise can’t even deal with without turning them into a fucking joke. Notice how I sometimes try to make it un-autobiographic by addressing you and not me. I’m so avoidant it’s hysterical. They should make me a protagonist and then forget about me completely. They should put me in a museum for the painfully self-aware. Take that, establishment. Take that, conventional logic.

…..Looking at couples and seeing a world, or language that you have once experienced yourself, but is now kept locked away in glances, a hand on a shoulder, a secretive grin. They share intimate moments hidden behind doors, not visible for us to see, and sometimes these moments can be seen in just handshakes or smiles – and it’s a special kind of sadness, too, because it includes nostalgia. It’s bittersweet. You recreate that feeling. Making amends, you try to look for someone who ‘thinks like me’.

…..It’s comforting to know, that what makes us feel seperated, can actually connect us. Little things you only think you do or feel: Fantasies that you save the world; sitting under the shower; fantasies of your own funeral and how people would react. Getting emotional at dawn. Being on the road and kind of enjoying the feeling of being lost. Having written something clear and meaningful and thinking to yourself: that won’t happen again, it was just a fluke. Being afraid to be discovered as a fraud someday. Taking on mannerisms of tv or movie-characters when binge-watching on your Netflix-machine. Remembering something embarrassing and making an involuntary noise (hnnngg), and then moving on. The sound of your feet on crisp leafs of autum. The smell of rain. The start of a good summerstorm. Noticing yourself in a relationship, pondering: ‘Why is this so difficult, this should come natural’, and then quickly thereafter deciding ‘maybe nothing in life really comes natural,’.

Those things are essential yet sometimes have to be actively searched for. We just get so lost sometimes.

….. It never stops. “Is this the best life i can live, is there a whole nother life that’d make me happier? Is it too late? Do people talk to me because they don’t have anything better to do?” The answer is no — well, maybe — but you’re also needlessly narcissistic, you son of a bitch. Wondering where time went? You spent it all thinking about yourself. I mean, who am I, Yahoo Answers? You don’t have a monopoly on self-pity. How about not being a passive piece of shit and not waiting for the world to win you back. Friendships do come and go, but that’s the fact for everyone. Thinking the world is against you, that’s immature. (That’s about how inner monologues could go when you just get ready for bed. Put in earplugs. Forget you exist. Wake up feeling particularly dead inside.)

……I’m done being satirical with my own writing. I joke so much about stuff that I don’t know what is Meta, or meant. This isn’t a blog so much as it’s just a chance to show how I waste my talents on being shitty in general; a shining legacy for retards. Maybe time to use this blog for it’s intended purpose, because I can basically talk myself out of doing anything. Everything is a reference, or an inside-joke up it’s own ass, a sentence repeated in different words. What’s the point. I want to become a comma.

Nevertheless, here we go, let’s get that blog-title tucked in here somewhere  to take us home, simply ignoring I just added it because it sounded cool. Imagine me, staring intensly at a crackling fire, while rain hits the tin roof of someone else. “We’re, uh,meanderthals, just dragging along aimlessly… and pissing in the wind of time.”

That’s a wrap. I’m hungry now.

Pro-anti

Mensen die onnodig veel lawaai maken. Mensen die hun winkelkar in het midden van ‘t gangpad laten staan. Mensen die sjorren aan de riem van hun hond die z’n gerief probeert te doen. Mensen die nooit stilstaan bij de grootte van het bestaan, en de nietigheid. Mensen die te veel nadenken over de grootte van het bestaan. Mensen die normale stiltes ongemakkelijk moeten maken door men er op te wijzen. Mensen die zich scharen achter stroman-argumenten. Stromannen.

Mensen die denken te weten wat hipsters zijn. Mensen die denken diepzinnig te zijn. Hypocrieten. Mensen die een geestelijke stoornis hebben trendy vinden. Mensen die wietroken als identiteit bestempelen. Mensen die hun kinderen alles laten doen wat ze willen. Fat-acceptance. Overmatig tot uiting gebrachte overgevoeligheid. Helicopter-ouders. Mensen die constant anderen bekritiseren. Hypocrieten.

Mensen die opstaan en denken: dit wordt weer een mooie dag. Mensen die aan het eind van de roltrap blijven dralen. Mensen die niks met konijnen hebben. Mensen die vinden dat we iedereen maar moeten accepteren en tolereren. Mensen die hun seksuele gedachten constant moeten uiten. Mensen die alleen grappen ten koste van anderen maken. Mensen die tieten niet esthetisch aanvaardbaar vinden. Mensen die zeggen “Mijn partner en ik…”

Mensen die uit angst voor wat anderen denken, nooit alleen naar de bioscoop of uit eten zouden gaan. Mensen die traag lopen, voetpaden blokkeren, niet op hun omgeving letten. Mensen die te veel met sociale media bezig zijn. Mensen die het nut er niet van in zien. Mensen die ordinaire en burgerlijke statements maken op Facebook. Mensen die zeggen: “Frankrijk, je was geweldig!” Mensen die zeggen: “Je moet gewoon jezélf zijn.” Mensen die zeggen: “Het komt allemaal wel goed.” Mensen die zeggen: “Dat kan ook alleen jou overkomen.” Mensen met luxeproblemen. Hypocrieten.

Mensen die voorrang geven terwijl het niet hoeft. Mensen die zeiken over vroeger en zeggen dat ze geboren zijn in de verkeerde tijd. Mensen die niet bewust zijn van hoe ze overkomen of enig moment stilstaan bij wie ze zijn. Social Justice Warriors. Zogenaamde “Contrarians.” die altijd tegen de consensus zijn. Slacktivists, die zich aanmelden bij “Vluchtelingen welkom”-Facebookpagina’s om te laten zien hoe goed bezig en tolerant ze zijn. Misschien zelfs thuisblijven, met hun biologisch afbreekbare overtuigingen, en glutenvrij moreel plichtsbesef.

Wandelende KONY 2012 Flashbacks, die klikken voor ze denken, als de titel maar pakkend is. “Tolerant zijn is trendy en iedereen moet zien hoe tolerant ik ben.
Tenzij het in de weg komt van dingen die ik nu wil doen, zoals afrukken, of links inhalen.” Counter-slacktivists die ze bekritiseren maar zelf geen verschil uit willen maken. Mensen die teveel buzzwords gebruiken. Hypocrieten.

Mensen die zich met sullige argumenten verhullen achter vrijheid van meningsuiting, alsof dat je mening waarde geeft. Mensen die dingen niet doen uit angst dat het niet bij hun gender past. Mensen die onbeleefd zijn tegen horecapersoneel. Mensen die bij voorbaat voor of tegen de politie zijn. Mensen die niet alleen durven te zijn met hun gedachten. Die niet nadenken voor ze iets doen of zeggen. Zich niet kunnen verplaatsen in een ander. Mensen die niet objectief twee kanten aan een zaak kunnen zien. Mensen die constant over andere mensen praten.
Hypocrieten.
Mensen die dingen blijven herhalen.
Mensen met huisgenoten die hun afwas in de wasbak zetten.
Mensen die ik niet begrijp.
Mensen waarmee ik nooit een connectie krijg.

Dit alles is terug te lezen in mijn nieuwe roman “Hitler had gelijk.”